Cowboy op de Altiplano

Arica is een stoffig kustplaatsje in het uiterste noorden van Chili. Vanuit dit stadje, dat nog het meeste weg heeft van een ghost-town uit het Wilde Westen, loopt over de toppen van het Andesgebergte een smalspoor naar La Paz, de hoofdstad van Bolivia.

  De smeedijzeren toegangshekken van het station staan open. Ik loop naar binnen. Geen grote hal met gehaaste reizigers, slechts een eenzame, wit betegelde gang die uitkomt op twee volgende hekken. Gesloten. Waar is het loket? Aan het einde van de gang staat een deur op een kier. Ik kijk voorzichtig naar binnen. Een kantoortje dat vroeger betere tijden gekend moet hebben. Flarden behang bladderen van de muren en het bruine zeil op de grond vertoont grote scheuren. Naast een mahonie­houten bureau staat een man met lange, sluike haren. Zijn gezicht gaat schuil achter een volle, zwarte snor. Met zijn zwarte colbert, dat strak om zijn brede schouders spant, lijkt hij op Wyatt Earp, de beroemde sheriff uit Dodge City. Alleen de colt 45 met de lange loop ontbreekt. Verkoopt hij de kaartjes?

  Wyatt Earp ziet mijn hoofd om de hoek van de deur en zegt met zware basstem:
  “Come in, mister, come in! You want tickets to La Paz?”
  Ik knik, waarop mijn sheriff naar een bruine tweezitter wijst. Ik probeer de omhoog stekende veren te ontwijken. De man gaat achter zijn bureau zitten en trekt een lade open. “De trein vertrekt twee keer per week,” zegt hij, “op zaterdag en op dinsdag.”
  Dinsdag. Morgen. Dat komt goed uit. Ik heb geen zin langer in dit gat rond te hangen en een andere manier om de grens met het buur­land te passeren is er niet, of ik zou een paar dagen mee moeten liften met een rammelende truck om de vrijwel niet bestaande wegen te trotseren. Ik knik opnieuw.
  “Ik heb nog net één plaats over.” Hij houdt triomfantelijk het ticket omhoog. Heel precies vult hij alle gegevens in. “De reis duurt elf uur,” zegt hij lachend, “Ontbijt en lunch inbegrepen. Morgenochtend om negen uur vertrek. U moet betalen met dollars. Yes?”

Ruim voor tijd sta ik de volgende morgen bij het station. Het smeed­ijzeren hek is afgesloten met een zware ketting en een hang­slot. Dat had ik kunnen weten. Ik zal nooit wennen aan de manier waarop ze in dit land met tijd omgaan. Negen uur is nooit negen uur. Tegen­over het station is een klein park. Ik zoek een bankje uit.
  Langzamerhand arriveren meer mensen met koffers en rugzakken, allemaal toeristen, wat maakt dat ik me niet meer zo belachelijk voel. Iemand ploft naast me op de bank neer. Een vrouw van midden dertig, haar lange blonde haar in een paardenstaart, de pony hangt over haar ogen. Sprekend Laura, mijn ex. Zelfs net zo’n Hema-trui, waarin Laura dag en nacht rondliep. Ze laat haar rugzak op de grond vallen.
  “Hoi,” zeg ik in het Nederlands, “wacht je ook op de trein?”
  Ze kijkt me verrast aan. “Hoe weet je...?” Dan betrekt haar gezicht.
  “Ja,” antwoordt ze kortaf.
  “Ik heet Hans. Ook naar La Paz?”
   Ik steek mijn hand uit. Aarzelend pakt ze hem aan. “Ina”, zegt ze. Haar huid voelt koel. “La Paz? Ik ga nog verder.”
  “Vakantie...?”
  Met haar andere hand veegt ze het haar uit haar ogen. Net Laura. “Nee. Ik ben geoloog, ik doe daar bodemonderzoek.” Ze kijkt me zijdelings aan. “Jij bent wel op vakantie,” stelt ze vast.
Ziet ze dat aan mijn korte broek? Laura had daar ook altijd commentaar op.
  “Nou?” Het klinkt ongeduldig.
  “Eh... klopt. Ik ben op weg naar Peru. Ik wil naar Cuzco.”
  “Zeker naar Machu Picchu. Daar gaan alle toeristen naar toe.”

De groep wachtenden groeit uit tot zeker vijftig mensen. Tegen tien uur komt de stationschef op zijn gemak aangewandeld. Hij opent het hek.
We dringen achter hem aan naar binnen tot in de gang, waar we worden tegengehouden door het tweede hek. De stationschef laat ons één voor één passeren. Als ik aan de beurt ben wordt me duidelijk waarom. De bagage wordt apart gewogen en twee douane­beambten doorzoeken stuk voor stuk de koffers, tassen en pakken. Boven hun tafel hangt een plakkaat waarop “Goede Reis” staat. Daaronder: “Drugs vernietigen de wereld”. Bij mij zullen ze niets vinden. Toch voel ik me niet op mijn gemak als de grenswachter met zijn hand door mijn rugzak woelt.

  Met een handgebaar wordt ik het perron opgestuurd. Mijn rugzak heeft het onderzoek doorstaan. De over­kapping van het ouderwetse stations­gebouw wordt gesteund door pilaren met sierlijk gedraaide krullen. Onwillekeurig moet ik denken aan die keer dat ik met Laura onder de Eiffel­toren stond en we omhoog keken.
De trein staat klaar bij het perron. Twee mannen hijsen met behulp van een eind touw alle bagage op het dak. Daar heeft mijn rugzak geen bood­schap aan. De trein heeft nog het meeste weg van een autobus op rails, één wagon, aangedreven door een dieselmotor.

Ik stap in. Achterin de wagon is een keukentje waarin één man zich met moeite beweegt. Voorin zit de machinist, die als een buschauffeur een groot stuurwiel bedient, maar wat er te sturen valt is me niet duidelijk. Ook het interieur van de trein is niet veel soeps, gewoon een gangpad met aan weerszijden twee versleten stoelen. Meer dan vijftig mensen kunnen niet mee. Aan het dak hangen twee tv-toestellen. Een man met een hooggesloten, wit jasje vraagt mijn ticket. Ina zit achter in de wagon. De plaats naast haar is nog vrij. Ik vraag of ik daar mag zitten. Het mag.
  “Zo,” zeg ik opgewekt, “we kunnen vertrekken.”
  Ze slaat een boek open, dat op haar schoot ligt. Ze knikt.

De wagon hobbelt en schommelt over de rails. De eerste tien kilometer langs de kust, een heuvelachtige zandvlakte zonder enige begroei­ing. De ober serveert koffie met een broodje kaas. De spoorlijn buigt land­inwaarts en al snel begint de trein te klimmen. Voor ik er erg in heb zitten we tweeduizend meter hoog en nog eens honderd kilometer verder­op komen we op een hoogvlakte op vier­duizend meter. Onvoorstelbaar dat de Spaanse veroveraars ooit door deze bergen trokken. De trein stopt regelmatig. De ene keer bij een klein station om dieselolie te tanken of een pakje af te geven, de volgende keer moet de machinist lama’s van de rails jagen. We hobbelen verder. Volmaakt groene valleien worden omgeven door kale heuvels, besneeuwde bergtoppen en rokende vulkanen. Door het open raam proef ik de geur van bloeiende jasmijn. Ik wil Ina er opmerkzaam maken, ze kijkt niet op en blijft verdiept in haar boek.

Na een paar uur stopt de trein in Visviri, op de kaart een dorp, in werkelijkheid enkel een station met douanekantoor. De Chileense douane­beambte stapt in en gaat naast de machinist zitten. Stuk voor stuk bekijkt hij de paspoorten, die de conducteur van tevoren heeft ingezameld. We mogen de trein uit. Ik loop achter Ina aan het perron op. Er staat een straffe wind, die het stof over de rails blaast. Toch is de lucht onwaarschijnlijk helder.
  De Chileense douanebeambte is klaar met stempelen, zijn Boliviaanse collega neemt de paspoorten van hem over. Deze man rijdt mee tot aan het volgende station. Hij laat af en toe een passagier naar voren komen om het een en ander toe te lichten. Na het passeren van de grens gaat het vulkaanlandschap over in de Altiplano, de Boliviaanse hoogvlakte, een grijs, onherbergzaam land van een bruuske eenzaamheid waar mannen op de fiets van nergens naar niets gaan, groepen lama’s rondzwerven en keffende honden als gekken achter de trein aan rennen. Als de trein een dorpje passeert zie ik vrouwen die opvallen door hun vaalbruine bolhoed en de twee lange, zwarte vlechten op hun rug. Ze dragen fel gekleurde petticoats en een draagdoek waarin behalve de dagelijkse boodschappen ook kleine kinderen worden vervoerd.
  Ik moet het delen. “Kijk eens naar die vrouwen,” zeg ik, “mooi gezicht, hè.”
  Ina kijkt niet op van haar boek. “Dat zeggen toeristen altijd,” mompelt ze en slaat een bladzijde om.

Aan het eind van de middag gaat de kok opnieuw aan het werk in zijn kleine schuddende keuken. Een heerlijke geur verspreidt zich door de wagon. Ik snuif begerig. Patat!
De ober brengt vorken en messen rond en prijst de gebraden kip met friet aan. Ik bestel een portie. Ina neemt niets. Het duurt lang voor het gerecht wordt geserveerd. Ineens krijg ik hoofdpijn. Het schommelen en schudden van de trein lijkt erger te worden en tot overmaat van ramp vertoont de onvermijdelijke video een wild-westfilm, waarin de held van het verhaal door een bende desperado’s levend in de woestijn wordt begraven. Alleen zijn hoofd steekt boven de aarde uit. De schurken bewerken het gezicht van de held hardhandig met een stok en laten hem daarna aan z’n lot over. Onwille­keurig trekken mijn ogen steeds naar het beeld. Tijdens de close-up van een bloedend hoofd vol rode mieren zet de ober een bord vol kip en friet voor mijn neus. Ik schuif walgend de vette friet van me af. Het zweet staat op mijn voorhoofd.
  Ina buigt zich naar me toe. “Wat heb je? Je krijgt toch geen hoogte­ziekte?”
  “Hoogteziekte...?”
  “Boven de drieduizend meter krijg je gebrek aan zuur­stof. IJle lucht. Ik had vroeger een collega die er gevoelig voor was. Echt zo’n afhankelijk tiep. Altijd barstende hoofd­pijn, altijd duizelig en misselijk, nooit trek in eten en slapen lukte haar ook niet meer.” Ze klopt geruststellend op mijn hand. “Maak je geen zorgen. Meestal trekt het weg na een paar uur rust.”
  De rug van mijn hand voelt koud aan. “Heb jij nergens last van?” vraag ik.
  Voor het eerst kijkt Ina me recht aan. Ik vraag me af of zij haar trui ook nooit wast. “Nee,” zegt ze, “de een is er gevoeliger voor dan de ander.”
Ze kijkt naar mijn bord. “Als je toch niet meer hoeft...,” zegt ze. Enthousiast begint ze aan mijn kip te kluiven. Mijn kip! Ach, ze gaat haar gang maar.

Het is donker als we La Paz naderen. De stad ligt in een dal op ongeveer 3600 meter hoogte. We rijden nu op vierduizend meter, zodat door de minuscule lichtpuntjes van de straatverlichting het lijkt alsof in alle huizen de kerstverlichting is aangestoken.
  Ik ben blij als ik eindelijk op het perron sta. Inclusief het oponthoud aan de grens heeft de hele rit twaalf uur geduurd. De machinist heeft al die tijd zonder aflossing achter het stuur gezeten. Ik ben hondsmisselijk en in mijn hoofd raast de trein nog steeds door. Het enige wat ik wil is een bed. Behalve op de Altiplano heb ik het tot nu toe niet koud gehad, maar nu moet ik een trui uit mijn rugzak halen. Ina zie ik nergens meer. Verdwenen in de drukte. Klerewijf, ze had toch wel even kunnen wachten. Het was niet alleen die trui waardoor ze op Laura leek.
  Ik klamp de eerste de beste taxichauffeur aan - of dringt hij zich aan mij op? Ik weet het niet - en vraag hem me naar een hotel te brengen. Ik stap achter in de taxi, een gammele Chevrolet uit het begin van de jaren zeven­tig. Alles wat niet dringend noodzakelijk is voor de rit heeft de bestuurder eruit gesloopt. Zijn rijstijl is net zo gammel als zijn auto. Hij haalt links en rechts in, scheurt tussen andere auto’s door en pakt af en toe een stoepje mee. Voetgangers springen voor hun leven. Ik kan er niet mee zitten. Als de taxichauffeur me uiteindelijk voor de deur van het hotel afzet zegt hij dat het ritje tien dollar kost. Ik weet dat ik belazerd word, het kan me niets schelen. Ik betaal. Een bed. Dat is het enige waar ik aan kan denken.
  Achter de balie van het hotel staat de receptionist met een zachte doek over zijn revolver te wrijven. De lange loop van een colt 45 blinkt in het licht van de tl-buis. Zes koperen kogels glanzen op de balie. De man kijkt me onderzoekend aan. Hij heeft dezelfde dodelijke ogen als de desperado van de video.

Rotterdam, november 1998

 

De Nieuwe Wereld

De lucht is koud en helder. Huiverend in mijn veel te dunne jas beklim ik de trap van het museum dat zich naast de kerk op de Avenida Bulnes bevindt. De deur is gesloten. Ik bel aan. Het duurt lang voor de deur langzaam open zwaait. Achter de deur staat een bejaarde man gekleed in een zwarte soutane. Hij leunt zwaar op een wandelstok.
  ‘¡Por favor, entrada!’ zegt hij en maakt een uitnodigend gebaar. Ik stap binnen in een donkere gang waar de warmte me tegemoet straalt. De pater wijst waar ik mijn jas kwijt kan en zegt dat ik op mijn gemak rond kan kijken. Daarop verdwijnt hij door een deur naar een kantoortje, mij aan mijn lot overlatend.

Op goed geluk loop ik de gang in en open een willekeurige deur. Een donkere zaal met houten vitrines, waarin opgezette beesten die kenmerkend zijn voor de streek: albatros­sen, robben, nandoes. En uiteraard pinguïns, in tientallen soorten en maten. Interessant… nee.
  In de andere zalen is het een zootje. Dozen met mineralen en opgezette kevers liggen opgestapeld tussen schaal­modellen van boortorens. Alles dik onder het stof. Het ziet eruit als een opslagplaats van wat iemand allang had moeten weggooien. Daar ben ik niet voor gekomen. Ik durf me nauwelijks te bewegen uit angst dat de zaak instort. Een plotselinge niesbui overvalt me. Ik voel me teleur­gesteld. Als voorbereiding op mijn reis door Vuurland had ik het boek ‘De Reis Met De Beagle’ van Charles Darwin gelezen. Dat boek riep echter allerlei vragen op over de oorspronke­lijke bewoners, vragen waarop mijn reisgids geen antwoord gaf en ik had gehoopt juist in dit streekmuseum iets meer over hun geschiedenis aan de weet te komen. Darwin beschrijft in 1836 deze indianen als sterke, indruk­wekkende mensen, die makkelijk weerstand bieden aan de kou in dit gebied, toch zijn ze vijftig jaar later uitgestorven. Wat is er gebeurd?
  Aan het einde van de donkere gang is een trap. De ruime, goed verlichte boven­zaal vormt een complete tegenstelling met de benedenzalen. Hier geen stoffige vitrines, maar moderne diorama’s die een goed overzicht geven hoe de indianen uit deze streek hebben geleefd. Stap voor stap zie ik hoe de indianenstammen zich in het midden van de vorige eeuw een mager bestaan hadden veroverd en hoe eerst de komst van de blanken en later van de missionarissen hun leven veranderde. Foto’s, genomen door kolonisten, laten zien hoe westerse ziekten hun tol eisen. Maar ook de veranderende verhoudingen worden weergegeven, een foto uit 1875 toont een groep magere indianen, staande rond een brede leunstoel, waarop een dikke missionaris zit. Op de laatste foto staat een missionaris met twee oude vrouwen. Het bijschrift luidt dat dit de laatste indianen zijn. Ik kan bijna niet geloven wat hier onder het mom van godsdienst en bekering allemaal is gebeurd. En niet alleen hier.

Onder aan de trap staat de pater me op te wachten. De man is oud, hij ziet eruit alsof hij Columbus heeft vergezeld op zijn reis naar de Nieuwe Wereld. Hij nodigt me binnen in zijn kantoortje, een vale ruimte met donker­bruine lambrizering. In de hoek staat een wankele tafel waaraan een jongeman van een jaar of twintig zit te schrijven.
  ‘¿Te gusto el museo?’ vraagt de pater. Hij loopt naar een kast met glazen deurtjes en trekt er een onberispelijk gekaft boek uit.
  ‘Zeker’, antwoord ik, ‘een erg mooi museum.’
  De pater legt het boek voor me op tafel. Het is een gastenboek. Hij houdt me een vulpen voor en zegt dat ik er wat in moet schrijven. Ik draai de dop van de pen. Waar moet ik in godsnaam over schrijven? De ouwe troep? De misdaden tegen de indianen? De prachtige vitrines? De pater zegt iets en deze keer heb ik moeite zijn Spaans te verstaan. Gelukkig spreekt de jongeman in het hoekje een paar woorden Engels. Hij zegt dat de pater vertelt dat hij van oorsprong Italiaan is en via missiewerk in deze uithoek van de wereld terecht is gekomen. Hij werkt al meer dan zeventig jaar in dit museum.

  ‘¿Setenta años?’ Verbaasd kijk ik de pater aan. Ik denk aan de bovenzaal van het museum. Is hij de missionaris van de laatste foto? Heeft die man al die verschrikkingen meegemaakt?
  ‘¿Que edad tiene usted?’ vraag ik.
  De pater straalt en zegt dat hij al vierennegentig is. Trots vertelt hij hoe hij begin jaren dertig samen met een aantal missionaris­sen van de missiepost op Dawson-Eiland dit museum is begonnen. Ik zie dat de jongeman vol respect naar de pater kijkt.
  ‘¿Donde esta su casa?’ vraagt de pater.
  Ik antwoord dat ik uit Nederland kom. Daarop zegt de pater iets dat ik niet versta. Ik kijk naar de jongeman voor de vertaling. Hij aarzelt.
  ‘Dat kan ik niet vertalen,’ zegt hij. ‘Ik begrijp niet wat hij zegt.’
  ‘Probeer het toch maar,’ dring ik aan.
  ‘Nou vooruit, de pater zegt dat in Nederland de mensen onder de zee wonen?’
  ‘Daar heeft hij helemaal gelijk in,’ antwoord ik en ik zie de jongen met her­nieuwde bewondering naar de pater kijken. Ik vergeet mijn net bedachte kritiek op missionarissen. Ik trek het gastenboek naar me toe en schrijf in het Nederlands:
...Heel interessant, vooral de pater...

Rotterdam, voorjaar 1999