Poste Restante

Met Gijs, onze kampeerauto, trokken we langs de westkust van Griekenland naar het zuiden. Ons plan was in diverse dorpjes een paar dagen tot een week te blijven. In deze plaatsjes hoopten we ook andere reizigers te ontmoeten, want op onze tocht door Griekenland waren we geen andere kampeerauto’s tegengekomen. Inmiddels hadden we al heel wat boeken om te ruilen. Ook de gezelligheid die dat soort contacten met zich meebracht stellen we altijd op prijs.
  Vroeger vond ik contacten met familie en vrienden vanzelfsprekend, maar nu we langere tijd onderweg zijn en geen vast adres meer hebben mis ik die band. Even langs gaan of elke dag mijn moeder bellen is er tegenwoordig niet meer bij. Francina, mijn echtgenote, is een enthousiaste brievenschrijfster geworden, met in haar achterhoofd de gedachte dat, als wij veel schrijven, we ook veel post terug krijgen. Mijn zwager Theo fungeert daarbij als tussenpersoon. Hij verzamelt alle brieven en stuurt die, na een telefoontje van mij, ‘poste-restante’ naar het hoofdpostkantoor van de opgegeven plaats.

Ondanks mijn ervaring dat poste-restante brieven vaak langer onderweg zijn dan gewone post, ben ik altijd ongeduldig. Meestal sta ik een paar dagen na verzending uit Nederland al voor de deur van het postkantoor te trappelen om de brieven in ontvangst te nemen. Maar deze keer, zo nam ik me voor, zou ik me beslist niet druk maken en minstens tien dagen wachten alvorens naar het postkantoor te gaan.
  Ik had Theo het stadje Náfpaktos opgegeven als volgend poste-restante adres, maar zelfs in ons rustige tempo was dat slechts vier dagen rijden. Om de tijd te rekken bedacht ik een omweg. Op de kaart had ik een smalle weg gezien langs de kust naar het zuiden. Als we die weg namen konden we op ons gemak wat beter de omgeving verkennen.
  De weg liep vlak langs zee, links van ons een hoge rotswand, rechts beukende golven die duidelijk zichtbaar hier en daar enorme stukken uit de weg hadden geslagen. Alleen heel voorzichtig rijdend kon ik de gapende afgronden vermijden.
  Die dag sloeg het weer om. De wind wakkerde aan tot storm, maar af en toe scheen de zon tussen de zware wolken door en dan hadden we een magnifiek uitzicht over de groene zee en de donkere, bruine eilanden voor de ruige kust.
  Na een flinke rit kwamen we terecht in Antírrion. We vonden een beschut plekje naast de aanlegsteiger vanwaar de veerboten vertrekken naar Pátras, aan de overkant van de Golf van Korinthië. Bij de haven was het een drukte van belang, constant lagen veerboten te laden of te lossen. Een fascinerend gezicht, want deze schepen hadden slechts één laadklep aan de boeg en vrachtwagens en autobussen moesten achteruitrijdend het schip op. Dat ging gepaard met een heleboel geschreeuw en kijkend naar dat getob bedacht ik blij dat ik niet mee hoefde.
op-reis-14
De volgende dag reden we toch naar Náfpaktos. Eigenlijk waren we nog één dag te vroeg en dus reed ik niet rechtstreeks naar het postkantoor, maar parkeerde Gijs aan de boulevard, onder een aantal dennenbomen. Het was een mooi en rustig plekje waar we volgens mij best een poosje konden blijven. Mijn enige probleem was dat ik onderweg nergens een mogelijkheid had gezien de watertanks van Gijs bij te vullen en het niveau in de tanks was tot een bedenkelijk laag peil gezakt.
  ‘s Middags kwamen drie jochies van een jaar of tien naast onze auto spelen. Terwijl Francina en ik lachend zaten toe te kijken klommen ze in de bomen en bekogelden elkaar met dennenappels. Op een gegeven moment zagen de jongetjes ons zitten en begonnen te lachen en te zwaaien. In het begin zwaaiden we terug maar de jongetjes werden een beetje vervelend. Toen wij niet meer wilden kijken begonnen ze aandacht te trekken door de dennenappels niet meer naar elkaar maar naar Gijs te gooien. De projectielen kletterden tegen de ruiten en op het dak waarop ons zonnepaneel zat.
  Dat kon ik niet goed vinden en liep naar buiten met de bedoeling de jongens vriendelijk doch dringend te verzoeken daarmee op te houden. Ik kreeg niet de kans iets te zeggen. Zo gauw ze me naar buiten zagen komen, renden de belhamels hard weg.
  Even bleef het rustig om ons heen, maar heel stilletjes kwamen de deugnieten terug geslopen en het gooien begon opnieuw. Weer stapte ik naar buiten en opnieuw renden de jongetjes hard weg. Zo bleef het een poosje doorgaan, de schmiechten vonden het prachtig mij, steeds een beetje bozer, naar buiten te zien komen en ik voelde me voor gek staan.
  Over de boulevard daagde redding op in de vorm van een man van een jaar of veertig. Hij droeg een vishengel op zijn rug. Ik klampte hem aan en vroeg om hulp.
  Gelukkig sprak de man Engels en met een paar welgekozen Griekse scheldwoorden joeg hij onze plaaggeesten weg.
   “Zo, die komen voorlopig niet meer terug,” zei de man, “maar voor de zekerheid zal ik bij jullie voor de deur gaan vissen.”
  Voor de gezelligheid ging ik naast hem zitten. De man heette Spiros en we raakten aan de praat. Doordat hij goed Engels sprak leek hij de juiste persoon om me iets meer te vertellen over Griekse muziek. De afgelopen weken stond onze radio afgestemd op plaatselijke zenders en Francina en ik waren de melancholieke Griekse bouzouki-klanken zeer gaan waarderen. Van de tekst verstonden we natuurlijk niets, maar een paar woorden, zoals ‘sagapo’ en ‘agapimou’ hoorde ik in vrijwel elk liedje terug. Ik vroeg Spiros naar de betekenis en keek verbaasd toen hij onbedaarlijk in de lach schoot.
  “Dat zijn inderdaad de meest gebruikte woorden in het Grieks,” hikte hij, “ze betekenen ‘lieveling’ en ‘ik hou van jou’!”
  Dat was duidelijk.

De volgende ochtend liep ik, voor ik naar het postkantoor ging, eerst naar de bakker om baklawás te kopen. Als ik straks met de post terug zou komen had Francina de koffie klaar en dan zouden we lekker onderuit zakken met het honinggebak om alle brieven te lezen.
  Op het postkantoor waren de ambtenaren wel aanwezig, maar er heerste een beetje opgewonden stemming, alsof iets te gebeuren stond. Ik was de enige klant en zag alle ambtenaren mijn richting uitkijken. Op mijn vraag naar poste-restante glimlachte de man achter het loket vrolijk naar mij, maar reageerde afwijzend op mijn verzoek. Daar snapte ik niets van en pas toen ik informeerde naar postzegels voor verzamelaars, maakte hij me duidelijk dat ik even moest wachten, daarvoor riep hij iemand anders. Hij liep naar een kantoortje, opende de deur en zei iets. Duidelijk verstond ik het woord ‘sagapo’ en zag de rest van de ambtenaren ook lachen.
  Even later verscheen Spiros in de deuropening en begroette me als een oude vriend. Hij gebaarde dat ik niet voor het loket moest blijven staan en nodigde me binnen in zijn kantoor.
  “Ga zitten,” zei hij en wees op een grote, comfortabele leunstoel. Spiros bood me een kopje koffie aan en vertelde verontschuldigend dat sinds gisteren het openbare leven in Griekenland was ontregeld door een stakingsgolf. Alle ambtenaren hadden het werk neergelegd om te protesteren tegen een wet waarbij het stakingsrecht aan banden zou worden gelegd. Dat leek me een logische reden om te staken. Voor hij me uitgeleide deed keek Spiros “stiekem” toch even of onze post al was aangekomen, maar helaas... nog niets!
  Teleurgesteld maar getroost door de baklawás gingen Francina en ik met Gijs op pad om water te zoeken en onze tanks weer eens helemaal te vullen. Gisteren had Spiros verteld dat boven in de bergen een bron was waaruit heerlijk zoet water stroomde.
 Die was niet moeilijk te vinden want we kwamen net op een tijd waarop veel mannen “huiselijke klusjes” deden, zoals water halen. Het was dan ook flink druk bij de bron.
 Bij zo’n plek is het onmogelijk binnen vijf minuten weer weg te zijn. Integendeel, daar kun je rustig een uurtje voor uittrekken. Het water stroomde niet snel zodat vullen veel tijd in beslag nam. Ik had heel wat liters water nodig, maar ook de anderen kwamen met meerdere kannen en kruiken, jerrycans en zelfs - lege - wijnflessen. Tijdens het vullen spraken de mannen heel geanimeerd met elkaar en soms leek het of ze in een stevige ruzie waren verwikkeld, zo hard en heftig gingen ze tekeer. Maar het tegendeel was waar, zij waren juist hartelijk en minder afstandelijk naar elkaar dan wij gewend waren.

Een week later werd nog steeds gestaakt. Natuurlijk hadden we alle tijd van de wereld, al zaten we voor ons gevoel te “wachten”. Toch was het beslist geen “straf” een poosje op dezelfde plek te blijven. Náfpaktos was een schilderachtig havenstadje waar we ons best vermaakten. De letterlijk grootste attractie was een goed bewaard gebleven Venetiaanse vesting die boven op een heuvel, pal achter de stad lag. Inmiddels was ik vaste klant bij de bakker en elke ochtend voor het ontbijt liep ik naar het postkantoor. Telkens als ik binnenstapte zag ik de ambtenaren in de lach schieten en begon Spiros al meteen naar me te gebaren, dat er nog niets was.

Na een paar dagen was onze gasfles leeg. De koppeling van onze fles is dezelfde als die van Griekse gasflessen. Ik dacht de fles makkelijk te kunnen laten vullen en liep naar een van de vele kleine kruidenierswinkeltjes, die allemaal een rijtje gasflessen voor de deur hadden staan.
  “Vullen is geen probleem,” zei de winkelier, “maar daarvoor moet ik de fles opsturen naar de fabriek en dat duurt zeker een week.”
  Dat vond ik te lang, vanmorgen had Spiros verteld dat de staking voorbij was en de postbezorging weer snel op gang zou komen. Dan ging ik liever zelf naar de gasfabriek.
  “Die ligt aan de overkant van het water,” sprak de winkelier droog.
  Dat betekende oversteken met de veerpont waar ik een week eerder met vrees naar had zitten kijken en mopperend reed ik terug naar Antírrion. Achteruitrijdend de veerboot op viel best mee. Alleen kwam ik met mijn lage achterkant klem te zitten tegen de laadklep, maar met wat planken onder mijn achterwielen was dat probleem snel opgelost. Aan de overkant had ik het vulstation snel gevonden en een uurtje later zaten we weer met een gevulde gasfles op de pont naar Antírrion.

Langzamerhand werden Francina en ik het wachten op de post beu. Het was natuurlijk goed mogelijk dat mijn zwager niet direct na mijn telefoontje de post had opgestuurd, maar daarmee misschien zelfs wel een paar dagen had gewacht. Wie weet kon het nòg wel een week duren!
  Francina stelde voor ons onrustige gevoel te onderdrukken door een paar dagen weg te gaan uit Náfpaktos. Dat leek me inderdaad de beste oplossing en zo reden we een dag later langs de kust van de Golf van Korinthië naar Delfí, een beroemde plaats uit de oudheid. Vroeger deed hier een orakel uitspraken over de toekomst van personen, steden en legers. Net zoiets als een horoscoop uit de krant, maar dan omgeven met een “heilig” sfeertje. Helaas kon het orakel me niet uitleggen waar mijn post bleef.

Een paar dagen later, terug in Náfpaktos, hield Spiros een dikke envelop met brieven omhoog. Eindelijk, maar volgens mij moesten er twee pakjes zijn, de envelop met brieven en een pakketje met tijdschriften. Ik kon me niet voorstellen dat het pakket er langer over gedaan zou hebben en hield vol dat Spiros even verder moest kijken dan alleen bij de “B” van Booy.
  Bij andere postkantoren moest ik meestal bij het afhalen van poste-restante mijn paspoort afgeven, maar ondanks mijn korte achternaam hebben veel postbeambten daar toch moeite mee. Door ervaring wijs geworden had ik Theo gevraagd altijd onze pakjes te omwikkelen met gestreept plakband waardoor ze makkelijk te herkennen waren.
  Dat hielp, na enig zoeken haalde Spiros het tweede pakje tevoorschijn uit een bak waarin alle post beginnend met de letter “T” lag. De Nederlandse PTT had boven mijn naam een etiket geplakt, waarop met pen de inhoud van het pakje stond geschreven.
  Inderdaad, de “T” van tijdschriften.