De verliefde bankdirecteur

Op onze tocht door Griekenland kwamen we bij Náfplion, een internationale zeehaven waar grote vrachtschepen sinaasappels komen laden. Naast Gijs, onze kampeerauto parkeerde op het haventerrein een personenauto waaruit een oudere man stapte.

  Hij was, wat ik noem, een Onassis-type, het soort man dat je veel tegenkomt in Griekenland: niet lang, een beetje gedrongen, zware borstelige wenkbrauwen en een grote zwarte bril.

  De man zag Francina, mijn echtgenote, en mij zitten in het achtergedeelte. Hij lachte eens vriendelijk naar ons, liep een rondje om Gijs en wandelde terug naar zijn auto. Hij pakte een reep chocolade van het dashboard en stapte daarmee naar onze deur. Ik deed de deur voor hem open, de man lachte naar mee en stak zijn hand uit. Ik dacht dat het een begroeting was en toen ik zijn hand wilde schudden, greep hij me beet, trok zich met een ruk naar binnen en liep langs me heen naar achteren. Voor ik wist wat er gebeurde zat hij op de bank naast Francina en begon de chocolade uit te delen.
  Hij stelde zich voor als Dimitrios, vroeger directeur van de plaatselijke Bank van Griekenland, maar nu gepensioneerd. Hij vond het leuk weer eens Engels te spreken, alleen hadden Francina en ik de grootste moeite zijn Griekse accent te verstaan.
  Dimitrios lachte constant, zette zijn bril op en af, sprak met heftige gebaren en greep ons (nou ja, vooral Francina) steeds bij de hand. Hij vertelde alles te weten van de Griekse mythologie en dat klopte wel voor zover we konden nagaan, want ook Francina en ik hadden de laatste tijd daarover het een en ander opgestoken.
  In een reisgids over Griekenland had ik gelezen welke schaamteloos nieuwsgierige vragen Grieken kunnen stellen aan bezoekers en Dimitrios sloeg geen vraag over. Hij wilde weten waar we geweest waren, waar we naar toe gingen, wat we van Griekenland vonden, of we getrouwd waren, of we kinderen hadden, of onze ouders nog leefden, wat voor werk ik deed en vooral wat ik verdiende. Zelf vertelde hij 2700 gulden netto per maand aan pensioen te krijgen. Ook had hij een aantal buitenlandse bankrekeningen en onroerend goed. Arm was hij beslist niet.

Als echte Griek kon Dimitrios maar niet begrijpen dat Francina en ik geen kinderen hebben en vooral niet dat wij dat geen probleem vinden. Hij drukte ons op het hart er toch vooral zo snel mogelijk aan te beginnen.
  “You must make sex!” riep hij uit en wees daarbij op ons bed boven de cabine. In dat opzicht zijn onze culturen toch wel heel verschillend. Na een poosje haalde Dimitrios uit zijn portefeuille een stapeltje foto’s, waarop zijn vrouw en beide dochters stonden.
  “Don’t you think I have very pretty daughters?” zei hij terwijl hij mij de foto’s onder mijn neus duwde, “They will make very good wives and have lots babies!”
  Meteen viel Dimitrios in een andere rol dan die van charmeur. Als trotse vader kwam hij niet uitgepraat over zijn familie en zijn verwachtingen van vele kleinkinderen.
  Na een uurtje stond Dimitrios op om weg te gaan, maar niet nadat hij ons een zak vol met sinaasappels had toegestopt en ons had uitgenodigd de volgende avond met hem mee te gaan naar een restaurant om een hapje te eten.

De dag daarop kwam Dimitrios weer op bezoek. In de deuropening keek hij me indringend aan, wees op het bed en vroeg:
  “Did you?”
  Hij verontschuldigde zich dat hij zo laat was en dat we daarom geen tijd meer hadden ergens wat te gaan eten en drinken. Wel had hij, heel aardig, een doosje mooi ingepakte koekjes en weer een zak met sinaasappels bij zich.
  Dimitrios vond vooral Francina erg aardig en liet dat op Griekse wijze blijken. Hij werd steeds vrijer, overstelpte Francina met kusjes en geen moment was ze veilig voor zijn altijd zoekende handen. Trouwens ook ik werd bij elke begroeting op beide wangen gekust. Francina begreep eindelijk waarom ooit Jaqueline Kennedy met Onassis trouwde: de charmes van Griekse mannen zijn onweerstaanbaar!

De volgende ochtend kwam Dimitrios ons halen voor een rondrit door de omgeving. Francina ging uit voorzorg achterin zitten, maar ook daar was ze niet veilig voor de amoureuze betastingen van Dimitrios. Nog voor we een meter hadden gereden had hij haar al bij de knieën en was de motor twee keer afgeslagen. Toen hij dit herhaalde op de openbare weg greep ik in en vroeg hem vanaf nu op de weg te letten. Bezeerd verdedigde Dimitrios zich met de woorden:
  “Er komt toch geen auto aan?”
  En dat op een onoverzichtelijke bergweg!

Op stap te zijn met een “verliefde” heer was een hele ervaring. Het was natuurlijk allemaal spel, maar toch waren wij bezorgd dat het zwakke hart van Dimitrios het zou begeven door alle emoties die hij zo uitbundig ten toon spreidde. Zijn rijstijl was ronduit verschrikkelijk, hij reed snel waar hij langzaam moest rijden en langzaam waar hij een beetje moest opschieten. Meestal reed hij aan de verkeerde kant van de weg en als Francina iets zei liet hij beide handen los van het stuur en draaide zich helemaal om.
  Dimitrios bracht ons naar de ‘Palamedes’, de Venetiaanse burcht op de heuvel boven Náfplion. Het was mogelijk om vanuit het stadje bij de burcht te komen maar daarvoor moesten we een trap met 999 treden beklimmen. Dat konden we Dimitrios niet aandoen, hij moest nu al om de twee meter even stilstaan om op adem te komen. Vanaf de wallen van het fort hadden we een schitterend uitzicht over de omgeving. In het fort was een klein orthodox kapelletje en daar stak Dimitrios drie kaarsje voor ons aan.
  “For you, to have children,” zei hij.

Langzaam kuierden we terug naar zijn auto en reden weer naar Náfplion. Ik dacht dat Dimitrios ons naar Gijs zou brengen, maar dat bleek niet het geval. Francina en ik begrepen nog steeds de helft niet wat Dimitrios vertelde of wat hij van plan was.
  Regelmatig zei hij dat hij ons mee zou nemen naar zijn huis, om te eten en te drinken of naar een restaurant om daar te eten, te drinken én te dansen. Nu zei hij - voor de zoveelste keer deze week - dat het te laat was om te gaan eten. In plaats daarvan reed hij eerst langs het kerkhof van Náfplion, met zijn beroemde Beierse Leeuw en bracht ons toen naar het opgravingsterrein van Tíryns. Eerlijk gezegd had ik op dat moment geen idee wat die ruïnes voorstelden. Pas later - terug in Gijs - las ik in een reisgids dat Tíryns, als geboorteplaats van de Griekse held Heracles, tot de belangrijkste opgravingen in Griekenland behoorde.
  Een beetje tot onze verbazing bracht Dimitrios ons toen terug naar Gijs en zei wederom dat hij ons vanavond zou komen halen om gezamenlijk in een restaurant te gaan eten, te drinken en te dansen. Dat eerste wilden we wel maar dansen zagen we niet zitten. Ik had verwacht dat hij om die reden niet zou komen, maar om zeven uur stond Dimitrios weer voor de deur, compleet met drie porties souvlaki, een aantal flessen wijn en vijf kilo mandarijnen.
  Dimitrios verontschuldigde zich dat wij, omdat zijn vrouw een beetje ziek was, niet bij hem thuis te gast konden zijn, misschien morgen. Francina had voor zijn vrouw een cake gebakken en daardoor leek Dimitrios nog meer in verlegenheid gebracht dat hij ons niet bij hem thuis kon uitnodigen. We werden vreselijk door hem verwend en mochten niets terug doen. Als gasten in Griekenland waren wij “zijn” gasten.

Tijdens de vele gesprekken merkten we dat Dimitrios liever over de geschiedenis praatte dan over het hedendaagse Griekenland. Hij was een aartsconservatief die niets wilde horen over de stakingen die op dat moment in het hele land werden gehouden en steeds grimmiger leken te worden. Kritiek op zijn land was heiligschennis, in andere culturen zag hij weinig positiefs.
  We lieten ons echter de souvlaki’s goed smaken en ook de flessen wijn gingen er vlot doorheen. Vol zorg zagen we daarna Dimitrios in zijn auto stappen.

Dimitrios had ons uitgenodigd de volgende dag met hem naar Mykéne te gaan, een opgravingsgebied uit de Griekse oudheid waarover hij veel wist te vertellen. Ruim vóór de afgesproken tijd was hij echter al bij ons. Hij leek ergens door uit het lood geslagen, maar wat konden we niet meteen ontdekken.
  “I am hungry,” zei hij steeds, “I am hungry!”
  “Zal ik dan wat te eten voor je maken?” vroeg Francina zorgzaam, maar Dimitrios antwoordde: “Nee, nee! Ik wil niets eten, I am hungry!”
  Het duurde een hele poos voor we begrepen dat Dimitrios bedoelde te zeggen dat hij “angry” was en helemaal ontdaan vertelde hij dat hij zijn portefeuille kwijt was. Verloren of gerold? Hij wist het niet. Het geld vond Dimitrios niet zo belangrijk, wel zijn adreslijst die erin zat.
  Hij was zo van streek dat het er niet naar uit zag dat we naar Mykéne konden gaan. Hij zou het niet aankunnen. Zo emotioneel als hij eerst de “verliefde” man uithing zo was hij nu de “boze wanhopige” man. We hadden echt meelij met hem en vreesden opnieuw voor zijn zwakke hart.

‘s Avonds kwam Dimitrios opnieuw, heel wat opgewekter, want hij had zijn portefeuille teruggevonden in de slaapkamer van zijn huis. Hij had een fles wijn bij zich en wat lekkers, een paar mierzoete, met wit poeder overdekte stukjes cake, “dolmades”, in wingerdbladeren gewikkelde rijstballetjes met eier- en citroensaus en - natuurlijk - twee zakken sinaasappels. Toen ik vertelde dat we de volgende dag zouden vertrekken, barstte Dimitrios bijna in snikken uit.
  “Love you lot, love you lot!” riep hij uit en drukte ons op het hart toch vooral nog een keer terug te komen. Met dit roerende afscheid van Dimitrios verlieten we Náfplion.