Het drukke verkeer van Athene vond ik het beste te omschrijven als een “permanente chaotische verkeersopstopping”, waar iedereen zich volgens eigen wetten en ideeën doorheen probeerde te worstelen. Terwijl Francina, mijn echtgenote, haar best deed tijdens het kaart lezen niet in de war te raken door de Griekse straatnamen, probeerde ik Gijs, onze kampeerauto, onbeschadigd door het drukke verkeer te loodsen.
Toch hadden we een goede reden om de drukte van Athene te trotseren: we kregen bezoek van Ellen en Paul. Zij zijn oude vrienden van ons en hadden geschreven dat ze graag met hun twee kinderen een weekje naar Athene kwamen. Ik wist zeker dat zij net zo verrukt zouden zijn van Griekenland als Francina en ik. Tenslotte was Paul leraar geschiedenis, had Ellen een opleiding klassieke talen gehad en ook voor hun beide jongens, Frank van twaalf en Michel van tien, leken ons de Griekse oudheden een bijzonder interessante ervaring.
In de ogen van beide jongens zijn Francina en ik een soort suikeroom en suikertante. We kennen de jongens vanaf hun geboorte en kunnen goed met ze overweg. Afgelopen zomer had Frank gezegd dat oom Rutger er modern uitzag in vergelijking met zijn “suffe” vader. Dat leek me een groot compliment uit de mond van een twaalfjarige die op zo’n leeftijd uiterst kritisch naar volwassenen kijkt. Natuurlijk wilde ik aan dat image blijven voldoen en kocht vlak voor hun komst een nieuw sweatshirt van Franks lievelingsmerk. Het was een mooie zwarte met het opschrift “Just Do It”. Frank kon trots op me zijn.
Ellen en Paul hadden hotelkamers gereserveerd in het midden van Athene. Het oude centrum was heel sfeervol, maar ook met hele nauwe kleine straatjes en kleine pleintjes. Francina en ik twijfelden eraan of we Gijs een week lang midden in de stad konden parkeren, zodat we een paar dagen vóór hun aankomst eerst op verkenning gingen. Nergens was een parkeerplaats te vinden tot we midden in het centrum, op het plein voor het klassieke atletiekstadion, een bordje zagen met “verboden voor kampeerauto’s”.
Zulke bordjes waren we in Griekenland niet eerder tegengekomen, maar in het algemeen duiden ze op een mooie plek voor Gijs. Het liefst zou ik een plastic zak om het bord binden, maar mijn verstand zei me dat ik beter een praatje kon maken met de drie agenten die op het plein naar het verkeer stonden te kijken. Tot mijn genoegen vertelden de mannen dat ze alleen in de drukke toeristische maanden de hand hielden aan dat kampeerverbod.
De hele week voor de aankomst van Ellen en Paul liepen we rond met een gevoel van verwachting omdat we “bezoek” zouden krijgen; gezellig met nieuwtjes uit Nederland en natuurlijk genieten van hun twee jongens. Het liefst wilden wij hen in één week alles laten zien en ervaren wat wij de afgelopen weken hadden meegemaakt. Dat was natuurlijk onmogelijk, maar wel maakten we plannen over alledaagse situaties waarmee we hen wilden laten kennismaken. Ook wilden we hen zoveel mogelijk van de omgeving laten zien en zodoende keken we ineens weer met Hollandse ogen om ons heen. Wij waren gewend geraakt aan de Byzantijnse kerken, de laurierstruiken en de prachtige antieke gebouwen, maar voor hen zou het straks allemaal nieuw zijn.
Het eerste wat Frank en Michel ons hadden te melden nadat ze door de douane kwamen was dat ze door overboeking ‘businessklas’ hadden gevlogen in plaats van toeristenklasse en dat ze zalm met kaviaar hadden moeten eten. Dat was een behoorlijke tegenvaller voor twee jongens die meer van patat hielden dan van zo’n “klasse” maaltijd.
“Bah!” spraken beide jongens eensgezind en Frank vulde dat aan met: “Ik hoop dat we terug weer gewoon toeristenklasse vliegen!”
Francina had bedacht Ellen en Paul de komende week allerlei exotische Griekse gerechten als inktvis, tzatzíki, aubergineschotels en dolmades voor te zetten, maar ik besefte dat deze maaltijden waarschijnlijk niet aan beide jongens besteed zouden zijn.
Nog voor we in de auto zaten vroeg Frank, verontrust over het programma wat hem de komende vakantieweek te wachten stond, wat we allemaal gingen doen.
“Mijn ouders willen alleen maar musea, opgravingen en andere ‘ouwe dingen’ bekijken!”
Niet bepaald zijn idee van een leuke vakantie en vol afgrijzen vertelde hij hoe zijn ouderwetse ouders soms ‘uren’ naar een bloempje konden staren.
“Dat kan je je toch niet voorstellen, oom Rutger?” vroeg hij, goedkeurend naar mijn nieuwe sweatshirt kijkend.
Hun hotel lag op loopafstand van het klassieke atletiekstadion, waar wij met Gijs op het parkeerterrein stonden. Het stadion was een veel bezochte toeristische attractie en regelmatig zagen we busladingen met vrijwel uitsluitend Japanse toeristen komen en gaan. Michel waren we meteen kwijt, pas na een half uurtje kwam hij weer tevoorschijn met de mededeling:
“Ik heb nu de 400 meter in een heus Olympisch Stadion kunnen lopen.”
Om hun komst te vieren gingen we op de trappen van het stadion in de zon zitten. Met zijn zessen maakten we een fles champagne soldaat, dronken cola, rode wijn en hadden een hoop bij te kletsen.
De eerste vakantiedag liepen we naar de Acropolis, wij belangstellend, de beide jongens met frisse tegenzin. In hun ogen viel een bezoek aan de meest beroemde bezienswaardigheid van Athene onder het hoofdstuk cultuur. De Acropolis werd afgekeurd als niet ter zake doend voor een leuke vakantie.
Beide jongens, afkomstig uit een dorpje in Noord-Nederland, moesten even wennen aan het drukke verkeer in een miljoenenstad als Athene. Terwijl we stonden te wachten voor het voetgangerslicht en aan alle kanten de auto’s om ons heen vlogen, keek Frank geïmponeerd om zich heen en zei: “Wat een druk dorp is dit!”
Aan de voet van de heuvel begon Frank als een echte puber te zeuren dat hij nodig naar het toilet moest en omdat nergens een toilet was te bekennen hield hij dat “uren” vol.
Michel, solidair met zijn oudere broer, zag ook weinig in die “ouwe zooi” en liep constant kleine steentjes van de grond te rapen om ze met een grote boog van zich af te slingeren.
Ik voelde me weinig op mijn gemak onder de misprijzende blikken van de suppoosten en moest er niet aan denken dat Michel met zo’n steentje de neus van één van de lieflijke godinnen zou raken. Ellen en Paul liepen alleen maar te verbieden en de jongens vermanend toe te spreken. Van de Acropolis zagen ze weinig of niets.
Maar hoe dan ook, de boodschap van de jongens was luid en duidelijk overgekomen en voor de rest van de week gaven we ze dan ook maar vrijstelling voor het bezoeken van “ouwe dingen”.
Wijs geworden overlegde ik met de jongens wat zij leuk vonden om te doen en tot mijn verbazing wilden ze niets liever dan gewoon gezellig “thuis” blijven in de camper. Kaartspelen was favoriet, kaartenhuizen bouwen, “pesten” en Frank wilde dat ik hem leerde jokeren.
De jongens hadden een cassettebandje bij zich met opnamen van Guns n’ Roses en wilden niets weten van mijn voorzichtige pogingen iets van Griekse bouzouki-muziek te laten horen. Nu zijn Guns n’ Roses niet geheel mijn idee van goede muziek, maar Frank wist dat smaakverschil tactisch onder woorden te brengen:
“Oom Rutger is nu eenmaal wat ouder dan het gemiddelde kind!”
Terwijl Ellen en Paul door Athene zwierven om diverse bezienswaardigheden te bekijken, gingen wij met de jongens boodschappen doen en zochten stiekem toch een route langs iets interessants, zoals de wisseling van de wacht voor het koninklijk paleis. Dat bleek een leuk schouwspel op te leveren, waar beide jongens meerdere malen naar terug wilden.
Een van de eerste dagen tijdens de vakantie was Frank jarig. Ik had hem gevraagd wat hij van Francina en mij wilde hebben en was niet echt verbaasd toen hij koos voor net zo’n sweatshirt als dat van mij. Frank was er erg blij mee, tot hij ontdekte dat op de schouder een naadje los zat! De tranen sprongen hem in de ogen, hij rukte het sweatshirt uit en smeet het als een vod in een hoek. Ik pakte het shirt op, bekeek het naadje en zei dat het scheurtje niet veel voorstelde. Dat had een averechtse uitwerking. De tranen werden nog heviger en Frank klom in ons bed boven de cabine om daar voorlopig niet meer vandaan te komen.
Ik zat een beetje met mijn handen in mijn haar en wist niet hoe hem tot bedaren te brengen. Ellen en Paul waren de hele dag op stap en ik zag mijn rol als plaatsvervangend vader volledig de mist ingaan. Zo’n jongen in de puberteit is maar moeilijk te begrijpen, het ene moment aardig en meegaand, het andere in zich zelf gekeerd of de wereld vervloekend.
Plotseling kreeg ik een inval. Ik stelde Frank voor het sweatshirt voor reparatie naar een kleermaker te brengen. Dat idee bracht hem tot bedaren en samen liepen we Athene in, op zoek naar een kleermaker. Die was snel gevonden maar wel duurde het nog “uren” voordat de siësta voorbij was en de kleermaker opnieuw aan het werk ging. Daarna was het leed snel geleden en zag het sweatshirt er weer gaaf uit.

Uit eten gaan associeerden beide jongens met ‘netjes’ en ‘cultuur’, en dus ook niet hun idee van vakantie. Geen problemen, dat gaf Francina de kans haar kookkunst te vertonen. Terwijl wij volwassenen genoten van gebakken inktvisringen of moussaká, verorberden Frank en Michel met smaak een heel blik knakworstjes, maar ook “souvlaki” uit de Griekse “patattent” had hun voorkeur. Boodschappen doen was daardoor natuurlijk een dagelijks terugkerende bezigheid. Vooral vlees kopen bij de slager was een aparte ervaring. Beide jongens gruwden van afschuw toen ze zagen dat herten, wilde zwijnen en kalkoenen met hun natuurlijke jas nog aan en kompleet met kop en staart aan de haak hingen. Wel grote hilariteit bij de winkel van een slager die zijn varkens zo mooi had uitgestald dat ik dacht dat ze elk moment konden opstaan en weglopen, ondanks de olijftakjes die de slager ter versiering in hun oren en zelfs in hun beroemde “achtereind” had gestopt.
Na een bezoek aan de supermarkt bood Frank hoffelijk aan de tas met wijnflessen te dragen, maar dat vertrouwde Francina hem liever niet toe, bang dat hij ze misschien zou laten vallen. Maar ja..., wat gebeurde? Francina zwaaide wat wild met de tas, pardoes tegen een stenen plantenbak. Twee flessen braken en de wijn stroomde over straat. Beide jongens kwamen niet meer bij van het lachen en Frank zei liefjes:
“Zal ik dan nu toch maar de tas dragen, tante Francina?”
Om de andere dag maakten we met Gijs een tocht in de omgeving van Athene, Ellen en Paul breeduit op de banken in het woongedeelte, de jongens liggend voor het raampje bij ons bed en wij in het bestuurders gedeelte. Bij de beroemde Tempel van Poseidon, bij kaap Soúnion waren op het parkeerterrein een aantal mannen bezig met opnamen voor een reclamefilm van een frisdrank. Een zestal felrood gekleurde bestelauto’s met zwierige, witte opschriften reden rondjes over het parkeerterrein, terwijl de inzittenden vrolijk zwaaiden naar de camera. Frank en Michel vonden dat, net als ik, machtig interessant, en we besloten in de auto te blijven toekijken, terwijl Francina met Ellen en Paul de Tempel ging bezichtigen.
Een uurtje later waren de opnamen voorbij. Frank ging opnieuw een kaartenhuis bouwen maar Michel wilde buiten spelen met zijn voetbal. Vanuit een ooghoek zag ik hem richting Tempel klimmen en even dacht ik dat hij van plan was de prachtige zuilen als doelpalen te gebruiken. Dat viel mee, hij stuiterde alleen maar wat met zijn bal en toen hij terugkwam bij de auto vroeg hij langs zijn neus weg:
“Wat was dat ouwe gebouw vroeger eigenlijk, oom Rutger?”
Ik was blij met die vraag, maar om hem te plagen zei ik streng:
“Dat is een groot geheim, Michel. Dat mag ik alleen vertellen aan jongetjes die goed opletten tijdens geschiedenisles op school.”
Een slechter antwoord had ik niet kunnen verzinnen, zijn interesse was meteen verdwenen.
Bij het Kanaal van Korinthië reageerde Frank geestdriftig bij het zien van de reusachtige schepen die met slechts een paar meter speling langs de hoge wanden door het kanaal manoeuvreerden. Maar door de slechte ervaring met Michel durfde ik hem zelfs niet te plagen met zijn enthousiasme.
Bij de opgravingen van de oude stad Korinthië konden we buiten in de zon lunchen. Tijdens de maaltijd vertelde Paul over de Apostel Paulus die een aantal van zijn brieven had gewijd aan de zedeloze bewoners van de stad en ik zag Frank en Michel met interesse luisteren. Op de weg terug naar Athene zat Frank naast me en zei tot mijn verbazing geheel uit eigen beweging:
“Die ouwe stenen hebben toch wel leuke verhalen, oom Rutger!”