Op Reis met Gijs

"Een echte Kandinsky!"

Onder een stralende zon verlieten Francina en ik de camping aan de Algarve en reden noordwaarts om in Nederland voor de komende zomermaanden werk te zoeken. Ondanks dat Gijs, onze kampeerauto, geruime tijd stil had gestaan, startte de motor in één keer en liep als een zonnetje. Nog nooit, in het jaar dat ik hem nu heb, had hij ons de steek gelaten.

Ik wilde op tijd terug zijn in Nederland voor mijn moeders verjaardag. Dat gaf ons een week of vier om de afstand Algarve-Nederland af te leggen. Ruim, zou je denken, maar gezien ons tempo van de afgelopen maanden betekende dat toch "haasten".
Ik had een route uitgestippeld door Portugal, Spanje en Frankrijk en uitgerekend dat we gemiddeld honderd kilometer per dag moesten rijden om op tijd in Nederland te zijn. Een afstand van niets voor de meeste maar voor ons was tijd de afgelopen maanden een relatief begrip geworden en het was dan ook bijvoorbeeld niet meer de klok die bepaalde wanneer we gingen eten, maar onze maag die aangaf dat we honger hadden. Dat had wel tot gevolg dat we in een rap tempo steeds trager werden.
Elke dag "haastten" we ons de nodige kilometers af te leggen. Ik deed mijn best maar door allerlei omstandigheden lukte dat niet altijd. Omdat we geen gebruik maakten van campings was het altijd een probleem om te zorgen dat we voldoende water in onze tanks hadden. In de afgelopen maanden had ik dan ook een derde oog ontwikkeld voor het speuren naar bruikbaar water in de vorm van buitenkranen, fonteintjes, begraafplaatsen en bloemenperkjes. Soms kostte het moeite iets te vinden, soms niet.
Toen we op een stil weggetje langs een bron reden, riep Francina dan ook meteen: "Stop!". Zowel het wasgoed en ons "huis" waren aan een sopje toe en dus stond ik meteen op mijn remmen. Wassen en schoonmaken was zo gebeurd, maar daarna moest de was in het zonnetje drogen en dat vergde tijd.
op-reis-06
Na een mooie tocht door het binnenland van Portugal kwam ik bij een kleine grensovergang. Over de weg hing een stevige slagboom. Dicht! Naast de weg bevond zich een rood en wit geschilderd gebouwtje naast een stenen poort, waar Gijs zo te zien nauwelijks onder door kon. De douanebeambte gebaarde dat ik uit moest stappen en wees naar het gebouwtje.
Binnen was het donker en nadat mijn ogen gewend waren aan de duisternis zag ik aan de rechterkant twee loketten, één voor wie Portugal binnenkwam en één voor wie Portugal uitging. Beide loketten waren onbemand. Ik ging voor het goede loket staan en wachtte.
Na een paar minuten kwam de grenswacht naar binnen om te kijken waar ik bleef. Toen hij zag dat er niemand achter het loket zat, liep hij naar buiten en nam, via een achterdeur weer binnenkomend, zelf achter het loket plaats.
Mijn paspoort hoefde hij niet te zien. Wel vroeg hij me het kenteken van Gijs op een klein, wit stukje papier te schrijven. Daarna gaf hij een stempel op het papiertje en wees naar een loket aan de andere kant van het kantoortje.
Daar zat wel iemand. Deze man keek echter niet op of om, graaide alleen het gestempelde papiertje uit mijn handen, gaf er nòg een stempel op en wuifde met zijn hand in de richting van de deur.
Buiten stond de douanier, die me het eerste stempel gegeven had, al op me te wachten. Hij nam het papiertje in ontvangst en stak het in zijn zak!
Terwijl ik nog zat te bekomen van deze, lichtelijk omslachtige werkwijze dirigeerde de douanebeambte me heel vriendelijk onder de poort door in plaats van de slagboom open te maken.
Een kilometer verderop kwamen we bij de Spaanse grensovergang en daar ging het heel wat vlotter.
"Uit Nederland? Rij maar door!"

In Noord-Spanje reden we een deel van de 'Camino de Santiago', de oude pelgrimsroute, in achterwaartse richting tot aan de Spaans-Franse grens. Eigenlijk bestaat er geen "echte" pelgrimsroute, omdat elke weg naar Santiago de Compostela een route was die de pelgrims konden nemen, maar langs de wegen die het meest gebruikt werden, waren een wandelpad en een autoroute gemarkeerd.
Wij volgden de autoroute en af en toe als we het wandelpad kruisten liepen we die een stuk. Het was een boeiend landschap en door de vele gebouwen in Romaanse stijl vond ik het niet moeilijk om in gedachten de klok een paar eeuwen terug te zetten.
Nadat we de grens met Frankrijk gepasseerd waren kwam ik tot de ontdekking dat we met een gemiddelde van honderd kilometer per dag nooit op tijd terug zouden zijn in Nederland. Om tempo te maken stippelde ik op de kaart nieuwe étappes van ongeveer tweehonderd kilometer per dag uit. De volgende dag deed ik ruim acht uur over die afstand en 's avonds vroeg ik me verbaasd af hoe dat mogelijk was, want zo langzaam reed ik toch ook weer niet.
Terugkijkend ontdekte ik dat we onderweg acht keer gestopt waren, drie keer voor koffie, twee keer voor boodschappen, een keer voor de warme maaltijd en twee keer voor thee. Gemiddeld waren we om de 25 kilometer een keer gestopt!
De langste stops werden veroorzaakt door het boodschappen doen want we hadden bedacht dat als we vier maanden in Nederland zouden blijven, we het beste onze Gijs vol konden laden met producten die in Spanje of Frankrijk goedkoper waren dan in Nederland. Francina bracht "uren" door in de reusachtige supermarkten van 'Mammouth' en 'Carrefour' met het uitgebreid vergelijken van prijzen. Naast deegwaren, koffie, camembert en motorolie werd de ruimte onder onze zitbanken volgestouwd met pakken wijn. Ik kon in elk geval niet van de dorst omkomen.

Terug in Nederland ging ik, direct nadat we familie en vrienden hadden begroet, naar het arbeidsbureau om me te laten inschrijven als werkzoekende. Nadat ik een stapeltje formulieren had ingevuld en een kwartiertje gewacht, werd ik in een klein kantoortje ontvangen. De man kwam niet achter zijn bureau vandaan en stond zelfs niet op om me een hand te geven.
"Gaat u zitten," zei hij en gebaarde naar een hoge, rechte stoel die voor zijn bureau stond. Hij zette een leesbril op en begon het door mij ingevulde formulier voor te lezen:
"Naam: Rutger Booy, oud 41 jaar, geboren ...Zo las hij het hele lijstje voor, waarna hij mij over de rand van zijn bril aankeek: "klopt dat?"
"Dat klopt allemaal," antwoordde ik een beetje ongeduldig, "Maar hoe kom ik aan werk? Ik ben niet te beroerd om van alles aan te pakken."
De man keek wat moeilijk, begon met zijn pen op het bureau te trommelen en vertelde dat het op dit moment erg moeilijk was om iets geschikts te vinden.
"In de bollenstreek worden altijd mensen gevraagd worden om bollen te pellen," hielp ik hem op gang, "Is dat niets voor me?"
"Daar moet u niet aan beginnen," wimpelde hij mijn suggestie weg, "Dat past niet bij uw opleiding en u hebt natuurlijk ook geen ervaring met landarbeid. Dat kan echt niet."
"Hebt u dan iets anders voor me?" vroeg ik.
"Op dit moment niet," zei hij, een einde makend aan het gesprek, "U moet gewoon wachten tot we iets passends gevonden hebben. Verder raad ik u aan de personeelsadvertenties in de dagbladen goed na te pluizen."
Ik kon niets anders bedenken dan "Dank u wel".

Dat schoot niet erg op. Twee straten verderop was een uitzendbureau en toen ik daar binnenstapte werd ik heel wat enthousiaster ontvangen.
"Ik heb wel iets voor je," zei het meisje dat me te woord stond, "In een internationaal bekend museum hier in de stad wordt een suppoost gevraagd. Weet je iets van kunst af?"
Wel iets, ja. Ik heb altijd belangstelling gehad voor kunst en dat museum kende ik goed. Het bezat een uitgebreide verzameling schilderijen van oude meesters, waaronder een groot aantal van Jeroen Bosch. Ook modernere kunst was ruim vertegenwoordigd met schilderijen van van Gogh en Magritte. Een hele afdeling was zelfs uitsluitend gewijd aan schilderijen van Dali. Het museum stond wijd en zijd bekend om zijn vooruitstrevende aankopen. Het leek me leuk werk om bezoekers iets over het tentoongestelde te vertellen.
"Dat is dan afgesproken," zei het meisje, "Het werk is in elk geval voor één dag en waarschijnlijk voor langere tijd. Je kunt morgenochtend om acht uur beginnen. Je moet je melden bij meneer Franken. Denk eraan dat je op tijd bent en, oh ja, je moet wel een net pak aantrekken!"
Diezelfde avond reed ik eerst naar het huis van mijn moeder om mijn nette pak van zolder te halen en daarna naar het museum waar ik Gijs voor de nacht parkeerde op het parkeerterrein van het museum.

De volgende ochtend liep ik naar de ingang en om precies acht uur meldde ik me bij de portier. De man keek nauwelijks op van zijn ochtendkrantje en zei:
"Suppoost hè, loopt u maar naar de kantine, meneer Franken komt zo bij u om u wegwijs te maken."
Een half uur later zat ik nog steeds in de kantine zonder dat ik meneer Franken gezien had. Een van de kantinedames ontfermde zich over me en riep een passerende suppoost.
"Melden bij Franken?" vroeg hij verbaasd, "Die begint nooit voor tien uur. Kom maar met mij mee. Ik zal je wel vertellen wat je moet doen."
De man nam me mee naar de bovenverdieping van het museum, schoof wat branddeuren opzij en onthulde zo een aantal zalen met moderne kunst. Hij drukte me een bezem in de hand en zei: "Deze drie zalen moet jij bewaken. Om tien uur gaat het museum open voor het publiek, veeg voor die tijd deze zalen maar even aan!"
Daar stond ik dan, in driedelig grijs met gouden manchetknopen en een bezem in mijn hand! De zalen aanvegen was drie tellen werk en daarom leek het me het beste mezelf eerst maar eens vertrouwd te maken met de kunstwerken. Ik begon een rondwandeling om het tentoongestelde nauwkeurig te bekijken en de bijschriften te lezen. Dan kon ik tenminste de bezoekers vertellen wat ze waar konden vinden.
Ik was snel uitgekeken. De tentoonstelling op 'mijn' zalen was gewijd aan drie verschillende artiesten. Een van hen verstond onder 'kunst' het maken van gipsen armen en benen die op de meest gekke plaatsen uit de muur staken. De tweede zaal was geheel behangen met pornografisch behang en in de derde zaal stonden vier verschillende wastafels, ook van gips. Niet direct mijn idee van kunst, maar goed, als hier een hele tentoonstelling aan gewijd werd, wie was ik om kritiek te leveren?

Iets over tienen kwam een man van een jaar of zestig de zaal op lopen en ik vroeg me af of dat soms meneer Franken zou zijn. De man liep recht op me af, keek me een beetje verstoord aan en vroeg wie ik nu weer was. Ik vertelde gestuurd te zijn door het uitzendbureau en zijn eerste reactie daarop was:
"Wat, alweer een? Wat moet ik daar nu mee...?"
Ik maakte een verontschuldigend gebaar dat ik dat ook niet wist, en de man ging verder:
"Nou goed dan, blijf maar op deze zalen. Je werkt tot vijf uur en je lunchpauze is van een tot twee. Hier heb je een plaatje, waarop staat dat je suppoost bent. Spelt dat maar op je borst."
Ik vroeg of ik verder nog iets moest weten, maar hij zei:
"Nee hoor, je redt het wel."
Dat klopte, want nadat ik het naamplaatje op mijn revers had vastgemaakt gebeurde verder niets tot om half elf een wat oudere vrouw de zaal op kwam lopen. Ze deed me een beetje aan mijn moeder denken en ik bedacht dat die zich hier beslist niet op haar gemak zou voelen. De vrouw sloeg één snelle blik op het pornografisch behang en kwam toen op mij aflopen.
Nu gaat het gebeuren, dacht ik, maar het enige dat de vrouw mij met een licht blosje op haar wang vroeg, was:
"Weet u waar ik koffie kan krijgen?"
Dit was het moment waarop mijn kennis uit vorige bezoeken aan het museum mij van pas kwam:
"U gaat hier de trap af, mevrouw, en dan naar rechts."

Ik had niets te lezen bij me en stond een beetje met mijn handen op mijn rug uit het raam te staren. Een van de ramen keek uit op de grote klok van de kerktoren, zodat ik de tijd in de gaten kon houden. Om exact elf uur besloot ik nog maar eens een rondje over de zalen te lopen. Na een uur kwam ik terug bij het raam en zag tot mijn schrik dat het net vijf minuten over elf was! Zo duurde de dag wel erg lang en ik begon me af te vragen of ik dit werk vier maanden zou moeten doen?
Juist voor ik aan mijn lunchpauze wilde beginnen, kwam opnieuw een dame de zaal oplopen. Verheugd keek ik op, een tweede kans! Maar nee, de dame vroeg of ik de uitgang wist! Het zag er niet naar uit dat ik voor de lunchpauze zou worden afgelost, dus zei ik tegen haar:
"Ik loop wel even met u mee."

De middag verliep zo mogelijk nog rustiger dan de ochtend en ik had ruim de tijd om te overpeinzen wat ik allemaal aan de kampeerauto zou kunnen verbeteren voor onze volgende reis.
Pas tegen vieren kwam opnieuw iemand de zaal oplopen. Het was een man met een schilderij onder zijn arm. Hij knikte mij vriendelijk toe en ik knikte terug. Pas toen hij voorbij was begon ik me af te vragen of het normaal is dat in een museum mensen met een schilderij onder hun arm over de zalen lopen.
Ik rende achter de man aan, hield hem staande en vroeg of hij me wilde vertellen wat hij met dat schilderij van plan was. De man keek naar het naamplaatje op mijn borst, ging er eens rustig voor staan en zei:
"Ja hoor, dat wil ik je best vertellen."
Hij hield het schilderij omhoog zodat ik het goed kon zien en ging verder: "Jan Simons is mijn naam, ik ben de restaurateur van dit museum. Straks ga ik aan dit schilderij beginnen. Kijk maar, het is een echte Kandinsky."
Het zal wel in orde zijn, dacht ik en vroeg de man verder niet om een legitimatie. Toch voelde ik me de rest van de middag niet op mijn gemak. Lopen restaurateurs altijd met schilderijen onder hun arm?
Om vijf uur leverde ik bij de portier mijn werkbriefje in en wandelde terug naar het parkeerterrein waar Francina en Gijs op mij wachtten. Niemand had gevraagd of ik morgen terug wilde komen en dat was mij best. Ik had steeds gezegd dat ik alle soorten werk aan wilde pakken, alleen suppoost zijn hoort daar niet meer bij.
In de ochtendkrant stond niets over een gestolen Kandinsky.

 

Kennismaking met Griekenland

In de winter is Griekenland een heerlijk land om wat langer met een kampeerauto te verkennen. De plaatselijke bevolking lijkt alle tijd van de wereld te hebben. De mannen slenteren op straat en zitten op terrasjes - waar ze ‘s zomers werken - om nu zelf daar koffie te drinken.

Begin november reden Francina en ik in het noorden van Griekenland. Het regende, het was behoorlijk koud, en over de bergen woei een straffe noordenwind. Het was de eerste keer dat we met Gijs, onze kampeerauto, door Griekenland reden. Ondanks de regenbuien die we over ons heen kregen maakte het land een vriendelijke indruk door de witgeschilderde huizen.
  Die avond ging de regen over in natte sneeuw en ik kreeg het flink benauwd. Om in het zuiden van Griekenland te komen moesten we door het Píndos-gebergte, over een smalle pasweg die bij sneeuwval werd afgesloten.
op-reis-02
Toen we de volgende morgen wakker werden was het ongewoon stil om ons heen. Voorzichtig wierp ik een blik door de gordijnen en schrok. Vannacht was het echt gaan sneeuwen en de straten en auto’s waren bedekt onder een dik pak. Het leek me geen prettig vooruitzicht om in dit dorpje te moeten overwinteren. Na een poosje zag ik dat de wegen door een sneeuwploeg werden schoongemaakt. We besloten door te zetten. In het begin was de tocht weinig opwekkend, koud, donker en langs de kant van de weg lagen geslipte auto’s. Plotseling begon de motor van Gijs te stotteren en in te houden. De auto kwam slechts hortend en stotend vooruit. Er was iets mis met de brandstoftoevoer, maar wat? Nergens langs de kant van de weg was een plekje om te stoppen en ik begon me zorgen te maken dat de motor er helemaal mee op zou houden. Het zweet brak me uit.
  Gelukkig bleef de motor ploegend zijn werk doen en na een paar kilometer begon hij weer normaal te lopen. Opgelucht haalde ik adem. Te vroeg, even later begon het stotteren opnieuw, alleen niet zo erg als de eerste keer.
  Achter het stuur zat ik me suf te piekeren wat het probleem kon zijn maar ook deze keer liep na een paar kilometer de motor weer normaal en daarna deed het mankement zich niet meer voor.
  Pas later bedacht ik me dat ik kort daarvoor diesel had getankt. Waarschijnlijk was dat nog “zomerbrandstof” en daardoor niet geschikt bij deze lage temperaturen. Toen de buitentemperatuur iets steeg ging het probleem vanzelf over.
  Niet alleen de toestand van de motor baarde me zorgen. Met angst en beven bekeek ik elke pas die we over moesten. Sommige waren meer dan 1500 meter hoog. De wegen waren smal en moeilijk begaanbaar. Door de hevige sneeuwval waren grote rotsblokken op de weg gerold waar ik omheen moest slalommen. Ik kwam echter vrijwel geen ander verkeer tegen en dat maakte het rijden wat rustiger. Tegen een uur of tien brak de zon door het wolkendek en vanaf dat ogenblik genoten we van een prachtige rit langs besneeuwde bergtoppen.
  Na een paar uur waren we de passen voorbij en hadden de sneeuw achter ons gelaten. Ik haalde opgelucht adem toen we Ioánnina binnenreden. De angst onderweg ingesneeuwd te raken was toch wel erg groot en ik was blij dat we deze barre tocht heelhuids hadden volbracht.

Ioánnina was een druk stadje. Het lag aan een groot meer en ik parkeerde Gijs aan de oever. Op de top van een heuvel bevond zich een grote citadel, waar in de negentiende eeuw de Turkse heerser Ali Pasja woonde, samen met zijn driehonderd vrouwen. Toch was zijn grootste hobby het kijken naar de hoofden van zijn tegenstanders, gespietst op puntige palen. Zoals te verwachten van zo’n moorddadig en wellustig type is het slecht met hem afgelopen. Ach, misschien wist hij ook wel niet hoe hij “nee” moest zeggen in het Grieks. Francina had daar in elk geval de grootste moeite mee. Op de markt werd ze door allerlei oude vrouwtjes aangesproken om mandarijnen of groenten te kopen en dan zei ze “nee” en schudde met haar hoofd. Fout, want in het Grieks betekent “nè” ja en met je hoofd (nee)schudden is óók ja! Verwarring dus voor beide partijen. Bij de bakker dacht ze twee stukken gebak te kopen, toen we ze wilden opeten bleek het bladerdeeg te zijn, gevuld met een zachte schapenkaas en spinazie. Even wennen, omdat we iets zoets verwachtten, maar toch smaakte het best goed.

Omdat Francina de “grote was”, als lakens en spijkerbroeken wilde doen besloten we voor één dag een camping te nemen. In Párga, een piepklein vissersdorpje, ging ik bij de plaatselijke camping aan de beheerder vragen of hij plaats voor ons had. Op wat onbewoond uitziende caravans na was het terreintje geheel verlaten en de eigenaar zei vriendelijk:
  “No problem, ga maar staan waar je wilt.”
  Op mijn vraag wat ik moest betalen, lachte hij en antwoordde:
  “No problem, is gratis.”
  Waarschijnlijk omdat we buiten het seizoen kwamen. Toch was alles prima in orde, schoon sanitair, warm water en meer hadden we niet nodig. Alleen kwam van wassen niet veel terecht omdat regelmatig flinke regenbuien overdreven.
  Na twee dagen wilden we de gastvrijheid van de campingbeheerder niet verder uitbuiten en besloten verder te trekken. De man was het daar echter geheel niet mee eens.
  “Ben je gek,” protesteerde hij, “Jullie kunnen rustig wat langer blijven. Waarom gaan jullie straks niet met mij mee? Vanmiddag speelt het voetbalteam van Párga een belangrijke wedstrijd tegen het volgende dorp. Dat wordt reuze gezellig.”
  We zijn toch maar weggegaan. Dit soort vriendelijkheid kwamen we overal tegen in Griekenland. Ook in winkels deed iedereen zijn best ons ter wille te zijn, maar beslist niet om ons ten koste van alles iets te verkopen. De meeste mensen spraken een paar woorden Engels, makkelijk, maar daardoor leerden wij geen woord Grieks. Zelfs alle bewegwijzering op de hoofdwegen was tweetalig, in het Grieks (met Griekse letters) en in het Engels.

Die dag reden we van Párga naar Préveza, een havenstadje dat een kilometer of vijftig zuidelijker lag. Daar aangekomen zochten we een plaatsje aan de haven en zagen even later dat we recht tegenover een Nederlands zeiljacht stonden. Het jacht werd bewoond door een Amsterdams stel. Francina en ik stapten op hen af om kennis te maken.
  De vrouw, aanzienlijk jonger dan wij, bevond zich op het dek en reageerde gelijk enthousiast:
  “Leuk weer eens Nederlanders te ontmoeten. Wij komen uit Amsterdam, waar komen jullie vandaan? Ik heet Christine,” ging ze verder zonder op antwoord te wachten, “Wacht even, dan zal ik mijn man roepen.”
  Vanuit de kajuit verscheen een klein, dik ventje met een korte broek. Hij heette Eddy, vond zichzelf buitengewoon uniek en begon meteen te vertellen dat hij al twee jaar aan het “zeezwerven” was, zoals hij het zelf noemde.
  Ik moest even slikken toen dit Amsterdamse paar verrast opkeek omdat wij met een kampeerauto reisden. Eddy vond dat maar gek.
  “Een kampeerauto is toch alleen iets voor oude mensen?” vroeg hij en ik kreeg sterk de indruk dat hij bij oud dan dacht aan een jaar of tachtig.
  “Nee, een kampeerauto is niks,” maakte hij ons gelijk af, “Zeilen, dat is pas je ware!”
  Hij begon een heel verhaal over alle gevaren die zij op zee moesten doorstaan. Met een auto konden we volgens hem hoogstens een lekke band krijgen, “En dan bel je de wegenwacht die hem voor je komt verwisselen.”
  Ik moest beamen dat wij met onze auto inderdaad niet gauw zouden vergaan bij een storm op volle zee, maar avonturen beleefden we voldoende. Het klikte niet zo geweldig met deze mensen dat we gelijk vriendschap sloten, toch was het prettig weer eens Nederlanders te ontmoeten.

We bleven een week in Préveza en terwijl we aan de haven stonden was het weer heel afwisselend. Soms hevige hoosbuien, maar ook scheen de zon regelmatig en dan liep de temperatuur op tot in de twintig graden. De warme, vochtige lucht voelde heel aangenaam aan. In de omgeving waren prachtige verlaten stranden en het zeewater was warm en helder. Toch dachten we niet aan zwemmen, het barstte van de kwallen.
  Na die week vonden we het tijd worden eens verder te trekken. We hadden elkaar al eens ernstig aangekeken omdat we al veertien dagen in Griekenland waren en nog geen enkele culturele bezienswaardigheid hadden bekeken. En dat terwijl op elke vierkante meter wel een belangrijke potscherf of afbeelding van de goden was opgegraven.
  Vlakbij Préveza lag Nikópolis, een oude Romeinse stad, waar nu alleen nog ruïnes van over zijn. Imposant waren de resten van de stadsmuren. Het leven in Griekenland gaat echter gewoon door en tegenwoordig loopt een brede asfaltweg dwars door de ruïnes. De ruïnes leken meer op een grote heemtuin, waarin wilde cyclamen en andere bloemen bloeiden. Tot twee keer toe stapte Francina zelfs bijna op een schildpad, die hier nog in de vrije natuur leven.
op-reis-05
In een volgend stadje op onze route vonden we een prachtig plekje bij het haventje en besloten gelijk een aantal dagen te blijven. Na een paar minuten rook ik een enorme stank, alsof we midden in de koeienpoep stonden. Ik verzette de auto een meter of vijf naar achteren maar veel effect had dat niet. Af en toe dreef een verschrikkelijke walm door het interieur.
  Ik verzette nogmaals de auto, nu met zijn zijkant langs het water. Dat bracht even uitstel, maar niet lang. Het leek wel of we op een vuilnisbelt terecht waren gekomen. Ik had geen idee waar de stank vandaan kwam. Het kon toch niet mijn vuilwatertank zijn? Ik draaide de aftapkraan open en inderdaad stonk de straal water die eruit kwam behoorlijk, maar toch was het niet dezelfde lucht.
  Terwijl Francina en ik al snuffelend om de auto liepen kwam een Griekse man op ons af en vroeg in keurig Engels of we iets zochten. Dat was een beetje moeilijk om uit te leggen en dus antwoordde Francina:
  “Een waterkraan.”
  De man scheen het niet vreemd te vinden dat we dat al snuffelend deden en wees ons heel vriendelijk een kraan aan de overkant van de straat.
  Toen hij uit het zicht was verdwenen besloten we ten einde raad dan maar niet aan de waterkant te blijven. Even verderop was een parkeerterrein, vanwaar we toch een vrij uitzicht over het water hadden. Daar stonk het niet. De Griekse mannen, die “allemaal” langs de waterkant wandelden of zaten te vissen, hadden ons heen en weer gerij natuurlijk nauwlettend gevolgd. ‘s Avonds werden we opnieuw aangesproken door diezelfde Griek, die vroeg hoe het met ons ging. Na een praatje over het weer en de visvangst stelde hij ons voor aan zijn metgezel Antonío, een oudere, grijzende heer die, nadat we hadden verteld uit Nederland te komen, tot onze verbazing in vloeiend Nederlands tegen ons begon te praten.
 “Ik heb ruim twintig jaar in Nederland in de textielindustrie gewerkt”, vertelde hij, “na mijn pensionering ben ik teruggegaan naar Griekenland en geniet hier al een paar jaar van mijn pensioen.”
  Antonío vertelde met een probleem te zitten. Hij had een vragenformulier toegezonden gekregen van het Pensioenfonds uit Nederland. Antonío kon wel Nederlands lezen, maar onze slimme ambtenaren stuurden hem alleen brieven in het Engels, zodat hij ze niet kon begrijpen of beantwoorden. Of wij hem wilden helpen?
  Natuurlijk wilden we dat en daarop nodigde Antonío ons uit de volgende morgen naar zijn huis te komen.

Ik was benieuwd hoe een Grieks huis er van binnen uit zou zien, maar was teleurgesteld toen ik zag dat Antonío zijn huis op een typisch Nederlandse manier had ingericht. Tafel en stoelen van zwaar eikenhout en zelfs een paar Delftsblauwe klompjes op een bijzettafel. Alleen het glaasje ouzo bij de koffie was typisch Grieks.
  Ook Dimitra, de vrouw van Antonío, bleek goed Nederlands te spreken. Toen Antonío me de brief van het Pensioenfonds liet zien kon ik me voorstellen dat hij daar niets van begreep. De toelichting op de vragen was zo ingewikkeld dat ik het na drie keer lezen nog niet begreep, laat staan dat iemand zonder administratieve ervaring dat wel kon. Uiteindelijk lukte het me om het uitgebreide formulier in te vullen.
  We bleven eten bij Dimitra en Antonío en maakten toen ook kennis met hun vier kinderen. Hun twee zoons van achttien en zestien zaten nog op school, het Nederlands waren ze helemaal vergeten. Het waren leuke knullen die gelijk over school en sport begonnen te kletsen. De tweeling, twee meisjes van zes, was heel verlegen en durfde amper iets tegen ons te zeggen.
  Ook de maaltijd was typisch Nederlands. Grappig was dat de volwassenen in de woonkamer aten en de kinderen in de keuken. Misschien was dat wel zo rustig. Het contact verliep erg ontspannen en we hebben van Antonío en Dimitra een hoop over het leven in Griekenland opgestoken.