Op Reis met Gijs

"Nog 52 dagen naar Timboektoe"

De weg naar Meknès was eenbaans en behoorlijk kapot. Daardoor was weinig gelegenheid tot passeren en elke keer als ik in de verte een auto zag aankomen deed zich de vraag voor, hoever ga ik met Gijs, mijn kampeerauto, van de weg af en hoever hij?
Taxi's en autobussen vertikten het om maar één centimeter opzij te gaan en ook andere auto's gingen liefst zo min van het asfalt af. Op een gegeven moment begon het me de keel uit te hangen dat ik steeds de berm werd ingedrukt en bleef bij het naderen van een wit Renaultje stug midden op de weg rijden. Ik wist echter niet hoe snel ik weer de berm in moest toen de chauffeur geen andere reactie had dan zijn stuur los te laten, zijn armen ten hemel hief en Allah aanriep.

Vanuit Meknès volgden we de hoofdroute naar Marrakech. Een mooie, goed geasfalteerde weg met aan de ene kant uitzicht op de besneeuwde toppen van het gebergte van de Midden-Atlas en aan de andere kant de uitgestrekte groene velden van de hoogvlakte.
Een paar dagen geleden hadden we Paul en Mary ontmoet, een stel dat net als wij met een kampeerauto een tocht door Marokko maakte. Zij vertelden enthousiast over een klein plaatsje bij een prachtige waterval, Cascades d'Ouzoud, en waar ze een heerlijke tijd hadden doorgebracht. Ze hadden precies beschreven hoe Francina, mijn echtgenote, en ik daar moesten komen.
Op mijn wegenkaart zag ik echter een kortere weg. Volgens de kaart was het vanaf het plaatsje Khemis-des-Oulad-Ayad nog maar een kilometer of dertig naar de watervallen. Zonder problemen passeerden we een pas van bijna duizend meter hoog. De weg liep steil omhoog en we hadden een grandioos uitzicht over de omgeving.
op-reis-07
Na het dorpje Aït-Attab hield het asfalt op en ging de weg over in gravel, zand en stenen. Aan de ene kant een steile rotswand, aan de andere kant een diepe afgrond. Na een paar minuten hobbelen kwam ik bij een diepe kloof, waarover een smalle brug gemaakt was. Ik stopte en toen ik de brug beter bekeek schrok ik. Het leek een kopie van 'the bridge over the river Kwai', maar dan slechter. Gijs paste net tussen de brugleuningen. Aan het begin van de brug ontbraken enkele houten dwarsbalken, de gaten waren met wat rotsblokken opgevuld. Francina durfde er niet overheen, maar door de smalle weg was achteruitrijden of keren onmogelijk. Ik sloot mijn ogen en gaf gas.
Aan de overkant bleek de 'weg' zo mogelijk nog slechter te worden. Op de kaart leek het een verharde weg, maar het was minder dan een geitenpad, vol met kuilen, rotsblokken en diepe oneffenheden.
In de hoop dat het verderop beter zou worden reed ik door. Ik kon trouwens niet anders. Ik had echt niet nòg een keer die brug over gedurfd. Het pad liep steil omhoog langs de wand van de kloof en zo hobbelden we voort, botsend van rotsblok naar rotsblok. Ik begon me af te vragen of we wel op de goede weg zaten. Het liep tegen de avond en langzaam verdween de zon achter de toppen van de bergen.

Nadat we zo'n twee uur over het pad hadden gehobbeld sprong ineens een jongetje van een jaar of tien voor de auto. Hij leek uit het niets tevoorschijn te komen. Ik stopte en vroeg of we nog steeds op de goede weg naar de Cascades zaten.
"Ja hoor," zei hij, "Het is nog maar één kilometer. Geef me een ballpoint!"
Uit blijdschap gaf ik die en dat had een onverwachte reactie tot gevolg. Uit de struiken kwam een groep van zeker twintig kinderen tevoorschijn die allemaal tegelijk om ook een ballpoint begonnen te gillen. Ik probeerde stapvoets verder te rijden maar de kinderen bleven naast en voor me uitrennen. Al hotsend en botsend van links naar rechts was ik als de dood dat één van de kinderen onder mijn wielen terecht zou komen. Plotseling reed ik een klein dorpje in. De kinderen verdwenen en opgelucht haalde ik adem.
De camping was snel gevonden: een ommuurde binnenplaats met een ondergrond van zand en stenen. Het was niet moeilijk Omar te ontdekken. Hij bleek niet alleen campingbeheerder te zijn, maar ook gids, hotelier en restaurateur. Omar sprak vloeiend Frans en Engels en verstond een beetje Duits en Nederlands. Dat maakte de communicatie gemakkelijk. We waren zijn enige gasten en net als bij Paul en Mary ontfermde hij zich helemaal over ons.

In de dagen daarna nam Omar ons mee op een klauterpartij door de kloof, naar een plek vanwaar we een schitterend uitzicht hadden op de watervallen.
"Zie je die twee regenbogen?" vroeg Omar, "die zijn ook 's nachts, bij volle maan, zichtbaar. Dat heb je zelfs bij de Niagara niet!"
Omar was een goeie gids. Hij vertelde veel over het leven in Marokko en over de verdere bezienswaardigheden. Hij nam ons mee op een kilometerslange voettocht door de kloof om te zoeken naar apen, die hier nog in het wild voorkomen. Het werd een tocht van ruim twee uur voor we de apen ontdekten en het is toch wel iets anders om apen in het wild aan te treffen dan naar de apenrots in de dierentuin te kijken. Sinds een aantal jaren worden de apen beschermd. Daar zijn de dorpsbewoners niet blij mee, want de apen vernielen veel aan de olijfgaarden en stelen de groentetuinen leeg. Voor ons was het echter fantastisch om deze beesten in de vrije natuur te zien.

De derde dag van ons verblijf bij de Cascades nodigde Omar mij uit mee te gaan naar het huis van zijn vader. Ik voelde me vereerd door zijn uitnodiging, al had ik geen idee of hij met dit bezoek een bepaalde bedoeling had. Het huis van Omar's vader bevond zich in een vrij groot, maar geïsoleerd liggend Berberdorp.
Met de auto moesten we een kilometer of tien over een stuk onverharde weg en de laatste kilometers konden we alleen lopend afleggen. Het dorp bestond uit een verzameling bakstenen huizen, die bedekt waren met een laag rode klei.
Zijn ouderlijk huis zag er in mijn ogen als enige bewoonbaar uit. De rest van het dorp deed me denken aan de middeleeuwen. In de straatjes en steegjes, eigenlijk meer gangen, was het aardedonker; geen enkel pad was bestraat en overal lagen uitwerpselen van ezels.
Omar's vader was negentig jaar oud en had twee vrouwen. In een open ruimte, waarvan de grond bedekt was met tapijten dronken we in kleermakerszit koffie en kregen amandelen en koekjes aangeboden. Omar's vader sprak uitstekend Frans en wilde weten hoeveel zonen ik had.
"Geen," antwoordde ik.
"Hoeveel schapen heb je dan?" was zijn volgende vraag en weer moest ik bekennen:
"Geen."
Ik kreeg sterk de indruk dat ik op dat moment voor Omar's vader had afgedaan. Ondanks mijn materiële rijkdom was ik in zijn ogen een arm man. Toch werd het een lang gesprek met voor mij geheel nieuwe gezichtspunten. Zijn ideeën waren heel anders dan de mijne, maar ik werd me bewust dat ook de Marokkaanse levensstijl met de vele familietradities ook voordelen had. Omar vond West-Europa materieel gezien rijk, maar arm in geloofs- en gezinsleven, die voor hem de rijkdommen van Marokko waren. Hij zag de toekomst voor ons Westerlingen somber in. We gaan onze ondergang tegemoet door onze "goddeloze" levensstijl. De Islam behoedt de Marokkanen daarvoor.

Het liep tegen de avond toen we terug wandelden naar de auto. In snel tempo werd het aardedonker. Ik was blij dat Omar naast me zat om de weg te wijzen, want ik zag in het donker geen het verschil meer tussen de "weg" en het land ernaast. Ik wilde graag iets terugdoen als dank voor de gastvrijheid, maar wat?
"Hebben jullie hoofdpijntabletten bij je?" vroeg Omar, "Naast geestelijk leider is mijn vader namelijk ook een soort dokter. Meestal gebruikt hij geneeskundige kruiden en helpt anderen daarmee. Maar aspirine is ook welkom!"
op-reis-03
Met veel stof tot nadenken reden we een week later verder naar het zuiden, de Westelijke Sahara in, naar Goulimine, bekend om zijn kamelenmarkt.
Goulimine ligt op een kruispunt van de wegen naar de Sahara en heeft een soort centrumfunctie. Uit alle richtingen komen de woestijnbewoners naar het stadje toe om hun waren, veelal sieraden en kamelen, te verkopen. Over die kamelenmarkt hadden we heel verschillende verhalen gehoord. De één vertelde dat het een "echte" markt zou zijn en de ander zei dat het alleen maar voor toeristen was en dat er, al we geluk hadden, misschien anderhalve kameel stond. Volgens ons had iedereen gelijk.
's Morgens om zeven uur was het al behoorlijk druk op de markt en voor zover we konden zien waren we de enige Europeanen. Op een groot, ommuurd terrein even buiten de stad stonden een heleboel kamelen, tussen schapen, geiten en zelfs koeien. De handelaren hadden tegen de ochtendkou de capuchons van hun djellaba's opgeslagen, hun puntmutsen staken als bergtoppen omhoog.
Tegen negenen waren de meeste kamelen verhandeld en hun plaats werd ingenomen door souvenirhandelaars, die hun waren op de grond begonnen uit te stallen. Dat was voor ons het moment om te vertrekken. Op de terugweg kwamen we de eerste van een hele reeks autobussen tegen die, volgepropt met toeristen, vanuit Agadir op weg waren naar de kamelenmarkt. Als ze geluk hebben staat er nog precies anderhalve kameel voor de foto!

Van Goulimine reden we naar Zagora, zo'n beetje het zuidelijkste puntje van Midden-Marokko in de Sahara. Toen we het stadje binnenreden zagen we een oude wegwijzer, waarop te lezen stond: "Timboektoe, nog 52 dagen".
Het bord gaf een oude karavaanroute aan, via welke je per kameel dwars door de Sahara de stad Timboektoe kon bereiken. Met een Landrover of een ander vierwielaangedreven voertuig gaat het natuurlijk sneller, maar met onze Gijs konden we hier niet verder de woestijn in. De "wegen" waren niet geasfalteerd en daardoor voor ons niet meer te berijden.
Even buiten Zagora vonden we een mooie camping. De eigenaar was heel aardig en vertelde dat hij kameeltochten door de woestijn organiseerde. Je kon voor één, twee of meerdere dagen boeken.
"Hoeveel dagen gaat U?"
Twee dagen leken ons lang genoeg. Rijervaring was niet nodig. De gids zou voor alles zorgen, zelfs voor de maaltijden. Ik had gedacht dat het een soort excursie zou zijn, zoiets als wat hotels voor hun gasten organiseren, maar nee hoor, dit was volkomen individueel. We konden gelijk de volgende ochtend al vertrekken.
Na het nemen van dit besluit kwamen de twijfels naar boven. Waar begonnen we aan? We hadden met niemand over dit plan van gedachten kunnen wisselen en wisten daarom niet of anderen ervaring hadden met een dergelijke trip. Je laat tenslotte je kampeerauto achter en gaat met een onbekende de woestijn in op een ons onbekend vervoermiddel. Wat neem je trouwens mee op zo'n tocht? We hadden geen extra kameel gehuurd voor de bagage en besloten daarom één klein rugzakje in te pakken met de naar onze mening meest noodzakelijke dingen, zoals dikke truien tegen de nachtelijke kou, een toilettas, WC-papier en natuurlijk ook zonnebrandcrème.

De volgende ochtend, na een nacht slecht slapen kwam Mohammed ons om negen uur halen met de mededeling dat de kamelen klaar stonden. We liepen met hem mee naar de ommuurde binnenplaats waar Mohammed ons voor aan een andere man voorstelde en zei:
"Dit is Saïd, jullie gids. Oh ja, hij spreekt geen Engels of Frans, alleen Arabisch. Maar dat hoort bij de ervaring!"
Saïd vroeg, via Mohammed, waar we de nacht wilden doorbrengen, bij zijn familie of in de zandduinen? Wij kozen voor het laatste al wisten we totaal niet waarvoor we kozen. Op foto's van andere tochten, die Mohammed ons gisteren had getoond, hadden we gezien dat er in grote bruine nomadententen geslapen werd.
Het rijden op een kameel viel best mee. Ik zat achter de bult op een dikke stapel dekens. In het begin had ik nogal wat last van het hotsen en stoten, maar na een tiental minuten kreeg ik het loopritme van de kameel te pakken en wende het snel.
De vorige avond en ook bij het ontbijt hadden we weinig gegeten dus het beviel ons wel toen na een uur of twee rijden de gids halt hield bij een grote dadelpalm voor de middagmaaltijd.
Saïd liet ons afstijgen en begon de kamelen af te laden. En dat was heel wat, want naast onze rugzak en onze slaapzakken waren er nog twee grote zadeltassen met proviand en kookgerei, een grote zak met houtskool en vier waterkannen. Pas toen dat allemaal was afgeladen, kon ik zien hoe mijn zadel eruit zag. Om de bult van de kameel zat een dekenrol gevouwen en daarop lagen een viertal dekens, waarop wij zaten. Mijn billen waren wel wat gevoelig van de rit, maar dat was na een paar tellen over.
op-reis-01
Tegen de avond kwamen we in een gebied met prachtige zandduinen en verspreid staande palmen en Saïd vroeg of we hier wilden slapen. Ondanks dat hij alleen Arabisch sprak konden we elkaar toch redelijk begrijpen door middel van gebaren en drie woorden Frans. In dit geval begreep Francina het niet helemaal, want ze zag nergens een tent staan en we hadden er ook geen bij ons. Het werd haar echter snel duidelijk dat we gewoon in de open lucht zouden overnachten.
Slapen deden we op de dekens, op de harde grond. Gekleed en wel doken we in onze slaapzak en het duurde niet lang voordat we, ondanks de prachtige sterrenhemel, in slaap vielen. Ik werd wakker doordat de maan opkwam en een koud licht over de zandheuvel liet schijnen. Hoewel het leek alsof ik al uren geslapen had, kon het gezien de stand van de maan nog niet later zijn dan een uur of elf, half twaalf. Vanaf dat moment sliep ik onrustig, werd steeds wakker en draaide van mijn ene op mijn andere zij. Om een uur of zes, half zeven werden Francina en ik tegelijk wakker doordat het langzaam licht werd. We stonden op om aan de andere kant van de heuvel naar de zonsopgang te kijken. De beide kamelen lagen vreedzaam, met vastgebonden poten, te herkauwen. Het was echter behoorlijk fris en we doken daarom, na een tweede trui te hebben aangetrokken, terug in onze slaapzak. Dit keer vielen we in een diepe slaap en het was zeker half negen toen we, badend in het zonlicht, wakker werden. Ook Saïd ontwaakte en toen hij opstond zag ik dat hij toch wel met zijn kapmes onder zijn kussen geslapen had.
op-reis-08
Tegen tienen waren de kamelen weer opgeladen en reden we in een redelijk tempo over de Hamada, de steenachtige woestijn. Af en toe namen de kamelen een flinke hap van een van de verspreid staande struikjes. Ze aten van alles: bloemen, takjes en zelfs distels met scherpe punten. Alleen het bovenste gedeelte van de plant werd gegeten, zodat de wortel bleef staan. Tijdens het herkauwen verspreidden ze een lucht als van oud kuilgras, en reken maar dat zoiets stinkt!
Bij een oude waterput vulde Saïd de waterkannen met behulp van de theepot die hij aan het tuig van de kamelen naar beneden liet zakken. Ik vond het verbazingwekkend te zien met hoe weinig en wat voor eenvoudige artikelen je kunt leven. Bijvoorbeeld de dekens die, gestapeld op de kamelenrug, het zadel vormden, maar op andere momenten ook werden gebruikt als "bed", "tafel", "stoel", "zonnescherm", "windscherm" en als afdekking voor het brooddeeg terwijl dat stond te rijzen.
Overdag liep de temperatuur flink op en de zon brandde op ons lijf; we hadden ons zo gekleed dat alleen onze handen en onderarmen onbedekt waren. Ik was blij dat we van tevoren hoofddoeken hadden gekocht, want die boden een ideale bescherming tegen de zon, de wind, het zand en het stof. Toch kon ik niet voorkomen dat mijn neus behoorlijk verbrandde.
Tegen zessen kwamen we terug op de camping. Ik had nu toch wel behoorlijk last van zadelpijn. Een kop thee en een douche hielpen echter de pijn wat te verzachten. Toen ik me de volgende ochtend na het opstaan eens goed bekeek in de spiegel bleek ik van meer dan alleen zadelpijn last te hebben: mijn billen zagen helemaal blauw! Timboektoe haal ik nog niet.

 

Een verhaal met een vissmaak

Na onze belevenissen in Marokko namen we de veerpont terug naar Algeciras. Aan de Spaanse zuidkust wisselden storm en regen elkaar af. Vanwege het noodweer zochten we beschutting op het haventerrein van Tarifa, waar we Gijs, onze kampeerauto, in de luwte van een loods konden parkeren. Desondanks stond Gijs in de windvlagen te schudden als een hond na een duik in de visvijver.

Door de aanhoudende regen begon na een dag of drie het houten binnenwerk van onze buitendeur uit te zetten. De deur klemde muurvast in de sponning, zodat we alleen over de voorbank heen via de voorportieren naar buiten konden klimmen.
Na een week werd ik dat zat en begon net zolang tegen de deur te duwen tot hij opensprong. Maar ja, toen kreeg ik hem niet meer dicht!
Dat was voor Francina, bij wie de regen op haar humeur begon te werken, de druppel die de emmer deed overlopen.
"Ik heb voorlopig genoeg van dat voortdurende rondreizen," zei ze en stelde voor dat we best een goedkope camping konden zoeken en daar een maand of twee blijven.
"Waarom rijden we niet naar Portugal, naar de Algarve, daar is het toch altijd mooi weer?"
Dat voorstel sprak mij niet zo aan. We hadden toch een kampeerauto gekocht om te reizen en niet om mee op een camping te staan.
Wel kon ik me indenken dat Francina een beetje "reismoe" werd van alle indrukken en behoefte kreeg aan een "vaste" plek. Tenslotte waren we al zeven maanden op reis. Toch was ik bang aan dat gevoel toe te geven en te stoppen met reizen, aan de andere kant had Francina ook gelijk, ik merkte dat ik minder snel de auto uitkwam en niet meer zo geïnteresseerd was in allerlei musea en mooie kerken als een paar maanden geleden. Pas toen Francina als argument aanvoerde dat ik op reis was gegaan om een boek te schrijven en daar toch wel eens aan moest beginnen, gaf ik toe.
Ik bond de buitendeur vast met een stuk touw en reed in één ruk naar de Rio Guadiana, de brede rivier die de grens vormt tussen Spanje en Portugal. Het was donker toen we de douanepost passeerden en het regende zachtjes. Ik volgde de borden richting Faro en na een half uurtje zoeken en vragen vond ik een camping.
De volgende ochtend scheen de zon, maar tussen de vele pijnbomen was het donker en vochtig. De camping maakte een rommelige indruk. Maar dat zou wel komen doordat ook hier het noodweer van de afgelopen dagen danig had huisgehouden. Overal lagen afgewaaide takken, omgevallen bomen en gescheurde tentzeilen. Om ons heen stonden tenten en caravans en ik verbaasde me over het grote aantal kampeerauto's. Zo te zien stonden de meeste mensen al langere tijd op deze camping want iedereen had zijn plekje afgezet met greppels, tentzeilen of een rijtje dennenappels.
Toen ik naar buiten liep om een zakje vuilnis weg te gooien zag ik dat bij de vuilnisbak katten vannacht de plastic zak hadden open gekrabbeld op zoek naar wat eetbaars. Tussen de troep schitterde iets. Ik bukte en raapte een grote sleutelbos op. Terwijl ik me afvroeg wat ik daarmee aan moest hoorde ik achter me een zware stem roepen:
"Daar zijn mijn sleutels!"
Ik draaide me om en zag een gezette vijftiger op me afkomen.
"Wat ben ik blij dat ik die terug heb," zei hij en begon meteen te vertellen dat hij op een camping in Zweden werkte en dat het de sleutels waren van de douches en de washokken die hij daar schoonmaakte. We raakten aan de praat en binnen vijf minuten wist ik zijn levensgeschiedenis. Hij heette Hans, woonde in Zweden maar was, net als ik, een Nederlander. Hij was getrouwd met een Zweedse en nadat de kinderen het huis uit waren hadden ze alles verkocht en waren in een caravan gaan wonen.
"Van de zomer," vertelde de Zweed opschepperig, "hebben mijn vrouw en ik op die camping in zeven maanden voldoende geld verdiend om de rest van het jaar luierend in de Portugese zon door te brengen."
"Maar ja," ging hij verder, "Nu zit ik hier tussen al die ouwetjes die de hele dag niets anders te doen hebben dan van hun tent een paleisje te maken en dan naar elkaar gaan zitten staren. Ze zijn zo nieuwsgierig als wat en tijdens hun avondwandelingetje kijken ze allemaal bij je naar binnen terwijl ze langs lopen."
Datzelfde had ik net daarvoor ook gedacht maar om dat zo hardop te verkondigen ging me te ver en ik begon te protesteren. De Zweed trok zich daar niets van aan, zijn stem werd luider en luider en ik maakte me zorgen dat iedereen hem kon horen toen hij zei:
"Je zou bijna denken dat ze allemaal in het terminale stadium verkeren. Het lijkt hier wel een bejaardencentrum!"

De caravan van de Zweed stond recht tegenover Gijs en zo was het onvermijdelijk dat ik hem in de dagen daarna regelmatig tegenkwam. Beter gezegd, hij was met geen stok bij Francina en mij weg te slaan.
De Zweed was iemand die graag en veel praatte en zijn voornaamste eigenschap was dan ook zijn harde, donkere stem waarmee hij te pas en te onpas zijn mening kenbaar maakte. Hij wist alles beter dan een ander, maar daarnaast was hij echter ook ontzettend hulpvaardig. Als tegenprestatie moest ik urenlang zijn betweterige verhalen aanhoren.
Na een paar dagen begon ik daar de humor van in te zien en werd behoorlijk handig te worden in het ontwikkelen van "Zweedvermijdingsgedrag". Maar als hij me te pakken had kostte het heel wat zweeddruppeltjes om het contact kort te houden.
Omdat onze buitendeur nog steeds niet dicht ging, wilde ik liever niet met de auto rijden. De Zweed bood aan voor ons boodschappen te doen en stond altijd met raad en daad voor ons klaar. Wij vonden dat makkelijk, maar na een paar dagen begon het een beetje op misbruik te lijken.
De Zweed zorgde er ook voor dat onze rustige plek rustig bleef. Zelf wilde hij graag veel mensen om zich heen en als er iemand aanstalten maakte om bij ons in de buurt te komen staan, rende hij er op af en begon luidruchtig het plekje aan te prijzen. Op de meeste mensen had dat een averechts effect, en dat beviel me wel.

Wat me niet beviel was het leven op de camping. Elke ochtend werkte ik aan mijn boek, maar dat vlotte niet en na een paar weken begon dat op mijn humeur te werken. Ik voelde me niet thuis op de camping. Het was zo'n ander leven dan rondtrekken. Elke keer als ik langs de boulevard liep en daar de vrij geparkeerde kampeerauto's zag staan, voelde ik me zo verschrikkelijk opgesloten. Het bleef koud en vochtig onder de bomen, hoewel de temperatuur zeker 25 graden bedroeg.
Regelmatig gingen de gesprekken tussen Francina en mij over wel of niet blijven. Mijn idee was om langs de Algarve van dorpje naar dorpje te trekken en overal net zolang te blijven tot bijvoorbeeld het water op zou zijn en dan voor één nacht een camping te zoeken. Francina was dat niet met me eens, zij had het wel naar haar zin en was van mening dat we nog een tijdje moesten blijven. Ze was bang dat ik anders niet aan werken toekwam en daar had ze gelijk in.

De Algarve deed mij denken aan Nederland in de jaren vijftig. Niet door de bouwstijl of de omgeving, maar meer door de sfeer en de rustige manier van leven. De mensen waren eenvoudig gekleed, veelal in het zwart. Door de straten zwierven grote groepen loslopende honden. In de winkels werden alle noodzakelijke producten verkocht, maar luxe artikelen stonden niet op de voorgrond. In vergelijking met wat ik gewend was in Nederland waren de prijzen laag en op de markt waren vooral de vele soorten vis erg goedkoop.
Omdat Francina had bedacht dat het leren eten van de producten uit de streek bij de ervaring van reizen hoorde kwam ze op een gegeven moment terug van de markt met acht grote sardines. De vissen waren compleet met kop en staart en omdat Francina al griezelde bij alleen maar de gedachte aan vissenogen, mocht ik ze schoonmaken. Behalve vissticks aten we nooit vis en dus haalde ik het kookboek erbij. Onder het kopje "sardines" stond: "Open het blik, haal de sardines eruit en..."
Daar had ik weinig aan.
Ik begon met kop en staart van de sardines af te snijden en de ingewanden eruit te halen. Toen bedacht ik me dat ik ook het vel eraf moest halen. Dat was een smerig klusje, maar ik ging net zo lang door met snijden tot er een bloederige massa vis op de snijplank lag. Dat werd me plotseling te veel en walgend kieperde ik het hele zooitje in de vuilnisbak. Die dag aten we een omelet.
Toch wilde ik wel graag vis leren eten en de oplossing van dat probleem diende zich aan in de vorm van Arie: een zeventiger die moeilijk ter been was. Hij had moeite met autorijden en vroeg Francina of ze samen met hem boodschappen wilde doen. Dan kon hij de linkerkant van de weg in de gaten houden en Francina de rechterkant. Onderweg vertelde hij dat hij voor zijn pensioen veertig jaar lang visboer in Rotterdam geweest was.

In de weken daarna leerde Arie Francina welke vissen op de markt te koop waren en liet mij zien hoe ik ze klaar moest maken. Spoedig had het schoonmaken van haai, rode poon en pietermannen geen problemen meer voor me. De vis heerlijk smaken en Arie wist er zo veel van te vertellen, dat ik de diverse vissen met meer interesse ging bekijken.
De Zweed zag onze relatie met Arie met lede ogen aan. Steeds bemoeide hij zich overal mee en vertelde regelmatig dat hij ook veel verstand had van vis. Maar toen hij eenmaal doorkreeg dat ik voor wat de vis betrof de mening van Arie meer waardeerde dan de zijne gooide hij het over een andere boeg. Hij vroeg of Francina en ik een dagje met hem en zijn vrouw meegingen naar Olhâo om daar eens rond te kijken en boodschappen te doen.
"Want," sprak hij luid, "als je nergens naar toe gaat ben je nergens geweest!"
Ik greep elke mogelijkheid aan om niet te hoeven schrijven en stemde grif toe.

Olhâo was een echt Portugees vissersdorpje met een grote haven en twee mooie oude overdekte markthallen, één voor groenten en fruit, de ander voor vis. In het centrum waren een groot aantal nauwe, maar drukke straten met allerlei winkels, bedrijven en restaurantjes. Opvallend vond ik - en dat gold eigenlijk voor de hele streek - de trottoirs en het tegelwerk. De trottoirs waren bestraat met kleine steentjes, waarin meestal een mozaïek verwerkt was. Het tegelwerk zag ik overal terug; in de huizen, op pleinen, op bankjes; kortom vrijwel alles was betegeld. Hele huizen waren aan de buitenkant voorzien van kleurige tegels en vaak waren daarin nog eens apart kleinere tegeltableaus verwerkt met afbeeldingen van heiligen of grotere tableaus met schepen of vissers. Langs de weg zag ik dat zelfs de borden waarop de afstanden naar andere steden stonden, van tegelwerk waren. De Zweed maakte regelmatig schampere opmerkingen over de vele oude auto's of paard en wagen die door de straten reden en gewoontegetrouw begon ik te dan protesteren.
In de overdekte markthallen was boodschappen doen een aparte ervaring, niet zo zeer bij de echte marktkooplui die hun stalletjes in het midden van de markt hadden maar vanwege de vele oude vrouwtjes die langs de wanden van de hal een plaatsje op de grond hadden gezocht en alleen wat fruit, een paar mandjes met groenten, een emmer met olijven of wat eieren bij zich hadden. Veel van deze vrouwen konden volgens de Zweed niet lezen, schrijven of rekenen. Bij één van hen kocht hij een zakje zelf ingemaakte olijven en vroeg wat dat kostte. De vrouw haalde een handjevol muntjes uit de zak van haar schort en wees de muntjes aan die hij moest betalen.
"Zie je wel," zei de Zweed luid, "Ze kan niet rekenen!"
Dat ging me te ver. Ik kreeg het schaamrood op mijn kaken en zei:
"Ze denkt dat je niet in het Portugees kan tellen!"

Boodschappen doen op de markt ging anders als Arie erbij was. Arie overwinterde al vijftien jaar in Portugal, sprak de taal vrij goed en had onder de vissers en visverkopers talloze kennissen. Hij wist precies welke vis hij wilde hebben en ondanks protesten van de handelaren zocht hij zelf de beste vis uit.
Meestal gingen Francina en Arie na het boodschappen koffie drinken in Arie's stamcafé en ik reageerde een beetje jaloers op de vele verhalen waarmee Francina dan thuis kwam. Arie nam mijn werk aan mijn boek echter serieus en nodigde mij niet uit om mee te gaan.

Omdat Francina altijd bezorgd was of we het financieel wel zouden redden ging ze een paar keer op zoek naar werk, maar haar sollicitatiepogingen liepen op niets uit. De Zweed vond dat logisch. Hij haalde zijn schouders op en zei:
"Waarom wil je ook in zo'n lagelonenland gaan werken? Had dat maar meteen aan mij gevraagd!"
Hij vertelde dat zijn baas op de camping in Zweden hem had gevraagd om uit te kijken naar mensen die komende zomer de kantine van de camping wilden beheren.
"Dat is echt iets voor jullie," bedacht hij, "Het is wel hard werken, een uur of tien per dag en dat zeven dagen per week maar het verdient goed."
Dat voorstel trok me zo aan dat ik deze keer het verhaal van de Zweed tegen mijn gewoonte in graag wilde geloven, in plaats van zoals gewoonlijk alles wat hij zei met een korreltje zout te nemen. Als we drie maanden in Zweden gingen werken hoefden we onderweg niet meer naar werk te zoeken. Dat veranderde ons reisplan, maar dat was niet erg. Dan konden we in september verder op reis naar de Oost-Europese landen en naar Griekenland.

Ondanks de grote stelligheid waarmee de Zweed beweerde dat het wel goed zat met onze baan, begreep zijn vrouw dat ik met zo'n vage belofte niet helemaal naar Zweden wilde rijden en drong er bij haar man op aan de eigenaar van de camping te bellen.
De Zweed kwam een beetje bedremmeld terug van dat gesprek en moest schoorvoetend bekennen dat zijn baas besloten had het komende seizoen zijn zoon en dochter in de winkel te zetten.
Dat was een tegenvaller maar ter plekke besloten Francina en ik om in plaats naar Zweden terug te rijden naar Nederland en daar voor de zomermaanden werk te zoeken. Een week later namen we afscheid van Hans en Arie, ik startte de motor van Gijs en we waren op weg naar het noorden. Alleen dat boek waar ik mee bezig was, hoe zit het daar eigenlijk mee? Nou, eh..., dat schrijf ik wel tijdens de volgende reis.