De weg naar Meknès was eenbaans en behoorlijk kapot. Daardoor was weinig gelegenheid tot passeren en elke keer als ik in de verte een auto zag aankomen deed zich de vraag voor, hoever ga ik met Gijs, mijn kampeerauto, van de weg af en hoever hij?
Taxi's en autobussen vertikten het om maar één centimeter opzij te gaan en ook andere auto's gingen liefst zo min van het asfalt af. Op een gegeven moment begon het me de keel uit te hangen dat ik steeds de berm werd ingedrukt en bleef bij het naderen van een wit Renaultje stug midden op de weg rijden. Ik wist echter niet hoe snel ik weer de berm in moest toen de chauffeur geen andere reactie had dan zijn stuur los te laten, zijn armen ten hemel hief en Allah aanriep.
Vanuit Meknès volgden we de hoofdroute naar Marrakech. Een mooie, goed geasfalteerde weg met aan de ene kant uitzicht op de besneeuwde toppen van het gebergte van de Midden-Atlas en aan de andere kant de uitgestrekte groene velden van de hoogvlakte.
Een paar dagen geleden hadden we Paul en Mary ontmoet, een stel dat net als wij met een kampeerauto een tocht door Marokko maakte. Zij vertelden enthousiast over een klein plaatsje bij een prachtige waterval, Cascades d'Ouzoud, en waar ze een heerlijke tijd hadden doorgebracht. Ze hadden precies beschreven hoe Francina, mijn echtgenote, en ik daar moesten komen.
Op mijn wegenkaart zag ik echter een kortere weg. Volgens de kaart was het vanaf het plaatsje Khemis-des-Oulad-Ayad nog maar een kilometer of dertig naar de watervallen. Zonder problemen passeerden we een pas van bijna duizend meter hoog. De weg liep steil omhoog en we hadden een grandioos uitzicht over de omgeving.

Na het dorpje Aït-Attab hield het asfalt op en ging de weg over in gravel, zand en stenen. Aan de ene kant een steile rotswand, aan de andere kant een diepe afgrond. Na een paar minuten hobbelen kwam ik bij een diepe kloof, waarover een smalle brug gemaakt was. Ik stopte en toen ik de brug beter bekeek schrok ik. Het leek een kopie van 'the bridge over the river Kwai', maar dan slechter. Gijs paste net tussen de brugleuningen. Aan het begin van de brug ontbraken enkele houten dwarsbalken, de gaten waren met wat rotsblokken opgevuld. Francina durfde er niet overheen, maar door de smalle weg was achteruitrijden of keren onmogelijk. Ik sloot mijn ogen en gaf gas.
Aan de overkant bleek de 'weg' zo mogelijk nog slechter te worden. Op de kaart leek het een verharde weg, maar het was minder dan een geitenpad, vol met kuilen, rotsblokken en diepe oneffenheden.
In de hoop dat het verderop beter zou worden reed ik door. Ik kon trouwens niet anders. Ik had echt niet nòg een keer die brug over gedurfd. Het pad liep steil omhoog langs de wand van de kloof en zo hobbelden we voort, botsend van rotsblok naar rotsblok. Ik begon me af te vragen of we wel op de goede weg zaten. Het liep tegen de avond en langzaam verdween de zon achter de toppen van de bergen.
Nadat we zo'n twee uur over het pad hadden gehobbeld sprong ineens een jongetje van een jaar of tien voor de auto. Hij leek uit het niets tevoorschijn te komen. Ik stopte en vroeg of we nog steeds op de goede weg naar de Cascades zaten.
"Ja hoor," zei hij, "Het is nog maar één kilometer. Geef me een ballpoint!"
Uit blijdschap gaf ik die en dat had een onverwachte reactie tot gevolg. Uit de struiken kwam een groep van zeker twintig kinderen tevoorschijn die allemaal tegelijk om ook een ballpoint begonnen te gillen. Ik probeerde stapvoets verder te rijden maar de kinderen bleven naast en voor me uitrennen. Al hotsend en botsend van links naar rechts was ik als de dood dat één van de kinderen onder mijn wielen terecht zou komen. Plotseling reed ik een klein dorpje in. De kinderen verdwenen en opgelucht haalde ik adem.
De camping was snel gevonden: een ommuurde binnenplaats met een ondergrond van zand en stenen. Het was niet moeilijk Omar te ontdekken. Hij bleek niet alleen campingbeheerder te zijn, maar ook gids, hotelier en restaurateur. Omar sprak vloeiend Frans en Engels en verstond een beetje Duits en Nederlands. Dat maakte de communicatie gemakkelijk. We waren zijn enige gasten en net als bij Paul en Mary ontfermde hij zich helemaal over ons.
In de dagen daarna nam Omar ons mee op een klauterpartij door de kloof, naar een plek vanwaar we een schitterend uitzicht hadden op de watervallen.
"Zie je die twee regenbogen?" vroeg Omar, "die zijn ook 's nachts, bij volle maan, zichtbaar. Dat heb je zelfs bij de Niagara niet!"
Omar was een goeie gids. Hij vertelde veel over het leven in Marokko en over de verdere bezienswaardigheden. Hij nam ons mee op een kilometerslange voettocht door de kloof om te zoeken naar apen, die hier nog in het wild voorkomen. Het werd een tocht van ruim twee uur voor we de apen ontdekten en het is toch wel iets anders om apen in het wild aan te treffen dan naar de apenrots in de dierentuin te kijken. Sinds een aantal jaren worden de apen beschermd. Daar zijn de dorpsbewoners niet blij mee, want de apen vernielen veel aan de olijfgaarden en stelen de groentetuinen leeg. Voor ons was het echter fantastisch om deze beesten in de vrije natuur te zien.
De derde dag van ons verblijf bij de Cascades nodigde Omar mij uit mee te gaan naar het huis van zijn vader. Ik voelde me vereerd door zijn uitnodiging, al had ik geen idee of hij met dit bezoek een bepaalde bedoeling had. Het huis van Omar's vader bevond zich in een vrij groot, maar geïsoleerd liggend Berberdorp.
Met de auto moesten we een kilometer of tien over een stuk onverharde weg en de laatste kilometers konden we alleen lopend afleggen. Het dorp bestond uit een verzameling bakstenen huizen, die bedekt waren met een laag rode klei.
Zijn ouderlijk huis zag er in mijn ogen als enige bewoonbaar uit. De rest van het dorp deed me denken aan de middeleeuwen. In de straatjes en steegjes, eigenlijk meer gangen, was het aardedonker; geen enkel pad was bestraat en overal lagen uitwerpselen van ezels.
Omar's vader was negentig jaar oud en had twee vrouwen. In een open ruimte, waarvan de grond bedekt was met tapijten dronken we in kleermakerszit koffie en kregen amandelen en koekjes aangeboden. Omar's vader sprak uitstekend Frans en wilde weten hoeveel zonen ik had.
"Geen," antwoordde ik.
"Hoeveel schapen heb je dan?" was zijn volgende vraag en weer moest ik bekennen:
"Geen."
Ik kreeg sterk de indruk dat ik op dat moment voor Omar's vader had afgedaan. Ondanks mijn materiële rijkdom was ik in zijn ogen een arm man. Toch werd het een lang gesprek met voor mij geheel nieuwe gezichtspunten. Zijn ideeën waren heel anders dan de mijne, maar ik werd me bewust dat ook de Marokkaanse levensstijl met de vele familietradities ook voordelen had. Omar vond West-Europa materieel gezien rijk, maar arm in geloofs- en gezinsleven, die voor hem de rijkdommen van Marokko waren. Hij zag de toekomst voor ons Westerlingen somber in. We gaan onze ondergang tegemoet door onze "goddeloze" levensstijl. De Islam behoedt de Marokkanen daarvoor.
Het liep tegen de avond toen we terug wandelden naar de auto. In snel tempo werd het aardedonker. Ik was blij dat Omar naast me zat om de weg te wijzen, want ik zag in het donker geen het verschil meer tussen de "weg" en het land ernaast. Ik wilde graag iets terugdoen als dank voor de gastvrijheid, maar wat?
"Hebben jullie hoofdpijntabletten bij je?" vroeg Omar, "Naast geestelijk leider is mijn vader namelijk ook een soort dokter. Meestal gebruikt hij geneeskundige kruiden en helpt anderen daarmee. Maar aspirine is ook welkom!"

Met veel stof tot nadenken reden we een week later verder naar het zuiden, de Westelijke Sahara in, naar Goulimine, bekend om zijn kamelenmarkt.
Goulimine ligt op een kruispunt van de wegen naar de Sahara en heeft een soort centrumfunctie. Uit alle richtingen komen de woestijnbewoners naar het stadje toe om hun waren, veelal sieraden en kamelen, te verkopen. Over die kamelenmarkt hadden we heel verschillende verhalen gehoord. De één vertelde dat het een "echte" markt zou zijn en de ander zei dat het alleen maar voor toeristen was en dat er, al we geluk hadden, misschien anderhalve kameel stond. Volgens ons had iedereen gelijk.
's Morgens om zeven uur was het al behoorlijk druk op de markt en voor zover we konden zien waren we de enige Europeanen. Op een groot, ommuurd terrein even buiten de stad stonden een heleboel kamelen, tussen schapen, geiten en zelfs koeien. De handelaren hadden tegen de ochtendkou de capuchons van hun djellaba's opgeslagen, hun puntmutsen staken als bergtoppen omhoog.
Tegen negenen waren de meeste kamelen verhandeld en hun plaats werd ingenomen door souvenirhandelaars, die hun waren op de grond begonnen uit te stallen. Dat was voor ons het moment om te vertrekken. Op de terugweg kwamen we de eerste van een hele reeks autobussen tegen die, volgepropt met toeristen, vanuit Agadir op weg waren naar de kamelenmarkt. Als ze geluk hebben staat er nog precies anderhalve kameel voor de foto!
Van Goulimine reden we naar Zagora, zo'n beetje het zuidelijkste puntje van Midden-Marokko in de Sahara. Toen we het stadje binnenreden zagen we een oude wegwijzer, waarop te lezen stond: "Timboektoe, nog 52 dagen".
Het bord gaf een oude karavaanroute aan, via welke je per kameel dwars door de Sahara de stad Timboektoe kon bereiken. Met een Landrover of een ander vierwielaangedreven voertuig gaat het natuurlijk sneller, maar met onze Gijs konden we hier niet verder de woestijn in. De "wegen" waren niet geasfalteerd en daardoor voor ons niet meer te berijden.
Even buiten Zagora vonden we een mooie camping. De eigenaar was heel aardig en vertelde dat hij kameeltochten door de woestijn organiseerde. Je kon voor één, twee of meerdere dagen boeken.
"Hoeveel dagen gaat U?"
Twee dagen leken ons lang genoeg. Rijervaring was niet nodig. De gids zou voor alles zorgen, zelfs voor de maaltijden. Ik had gedacht dat het een soort excursie zou zijn, zoiets als wat hotels voor hun gasten organiseren, maar nee hoor, dit was volkomen individueel. We konden gelijk de volgende ochtend al vertrekken.
Na het nemen van dit besluit kwamen de twijfels naar boven. Waar begonnen we aan? We hadden met niemand over dit plan van gedachten kunnen wisselen en wisten daarom niet of anderen ervaring hadden met een dergelijke trip. Je laat tenslotte je kampeerauto achter en gaat met een onbekende de woestijn in op een ons onbekend vervoermiddel. Wat neem je trouwens mee op zo'n tocht? We hadden geen extra kameel gehuurd voor de bagage en besloten daarom één klein rugzakje in te pakken met de naar onze mening meest noodzakelijke dingen, zoals dikke truien tegen de nachtelijke kou, een toilettas, WC-papier en natuurlijk ook zonnebrandcrème.
De volgende ochtend, na een nacht slecht slapen kwam Mohammed ons om negen uur halen met de mededeling dat de kamelen klaar stonden. We liepen met hem mee naar de ommuurde binnenplaats waar Mohammed ons voor aan een andere man voorstelde en zei:
"Dit is Saïd, jullie gids. Oh ja, hij spreekt geen Engels of Frans, alleen Arabisch. Maar dat hoort bij de ervaring!"
Saïd vroeg, via Mohammed, waar we de nacht wilden doorbrengen, bij zijn familie of in de zandduinen? Wij kozen voor het laatste al wisten we totaal niet waarvoor we kozen. Op foto's van andere tochten, die Mohammed ons gisteren had getoond, hadden we gezien dat er in grote bruine nomadententen geslapen werd.
Het rijden op een kameel viel best mee. Ik zat achter de bult op een dikke stapel dekens. In het begin had ik nogal wat last van het hotsen en stoten, maar na een tiental minuten kreeg ik het loopritme van de kameel te pakken en wende het snel.
De vorige avond en ook bij het ontbijt hadden we weinig gegeten dus het beviel ons wel toen na een uur of twee rijden de gids halt hield bij een grote dadelpalm voor de middagmaaltijd.
Saïd liet ons afstijgen en begon de kamelen af te laden. En dat was heel wat, want naast onze rugzak en onze slaapzakken waren er nog twee grote zadeltassen met proviand en kookgerei, een grote zak met houtskool en vier waterkannen. Pas toen dat allemaal was afgeladen, kon ik zien hoe mijn zadel eruit zag. Om de bult van de kameel zat een dekenrol gevouwen en daarop lagen een viertal dekens, waarop wij zaten. Mijn billen waren wel wat gevoelig van de rit, maar dat was na een paar tellen over.

Tegen de avond kwamen we in een gebied met prachtige zandduinen en verspreid staande palmen en Saïd vroeg of we hier wilden slapen. Ondanks dat hij alleen Arabisch sprak konden we elkaar toch redelijk begrijpen door middel van gebaren en drie woorden Frans. In dit geval begreep Francina het niet helemaal, want ze zag nergens een tent staan en we hadden er ook geen bij ons. Het werd haar echter snel duidelijk dat we gewoon in de open lucht zouden overnachten.
Slapen deden we op de dekens, op de harde grond. Gekleed en wel doken we in onze slaapzak en het duurde niet lang voordat we, ondanks de prachtige sterrenhemel, in slaap vielen. Ik werd wakker doordat de maan opkwam en een koud licht over de zandheuvel liet schijnen. Hoewel het leek alsof ik al uren geslapen had, kon het gezien de stand van de maan nog niet later zijn dan een uur of elf, half twaalf. Vanaf dat moment sliep ik onrustig, werd steeds wakker en draaide van mijn ene op mijn andere zij. Om een uur of zes, half zeven werden Francina en ik tegelijk wakker doordat het langzaam licht werd. We stonden op om aan de andere kant van de heuvel naar de zonsopgang te kijken. De beide kamelen lagen vreedzaam, met vastgebonden poten, te herkauwen. Het was echter behoorlijk fris en we doken daarom, na een tweede trui te hebben aangetrokken, terug in onze slaapzak. Dit keer vielen we in een diepe slaap en het was zeker half negen toen we, badend in het zonlicht, wakker werden. Ook Saïd ontwaakte en toen hij opstond zag ik dat hij toch wel met zijn kapmes onder zijn kussen geslapen had.

Tegen tienen waren de kamelen weer opgeladen en reden we in een redelijk tempo over de Hamada, de steenachtige woestijn. Af en toe namen de kamelen een flinke hap van een van de verspreid staande struikjes. Ze aten van alles: bloemen, takjes en zelfs distels met scherpe punten. Alleen het bovenste gedeelte van de plant werd gegeten, zodat de wortel bleef staan. Tijdens het herkauwen verspreidden ze een lucht als van oud kuilgras, en reken maar dat zoiets stinkt!
Bij een oude waterput vulde Saïd de waterkannen met behulp van de theepot die hij aan het tuig van de kamelen naar beneden liet zakken. Ik vond het verbazingwekkend te zien met hoe weinig en wat voor eenvoudige artikelen je kunt leven. Bijvoorbeeld de dekens die, gestapeld op de kamelenrug, het zadel vormden, maar op andere momenten ook werden gebruikt als "bed", "tafel", "stoel", "zonnescherm", "windscherm" en als afdekking voor het brooddeeg terwijl dat stond te rijzen.
Overdag liep de temperatuur flink op en de zon brandde op ons lijf; we hadden ons zo gekleed dat alleen onze handen en onderarmen onbedekt waren. Ik was blij dat we van tevoren hoofddoeken hadden gekocht, want die boden een ideale bescherming tegen de zon, de wind, het zand en het stof. Toch kon ik niet voorkomen dat mijn neus behoorlijk verbrandde.
Tegen zessen kwamen we terug op de camping. Ik had nu toch wel behoorlijk last van zadelpijn. Een kop thee en een douche hielpen echter de pijn wat te verzachten. Toen ik me de volgende ochtend na het opstaan eens goed bekeek in de spiegel bleek ik van meer dan alleen zadelpijn last te hebben: mijn billen zagen helemaal blauw! Timboektoe haal ik nog niet.