
Begin november naderden we met "Gijs", onze kampeerauto, de Costa del Sol in Zuid-Spanje. Na een prachtige tocht dwars door het binnenland bevonden we ons ineens midden in de "beschaving", waar "Wimpy", "Burgerking" en "McDonald's" wedijverden om het beste plekje bij het strand. Ik moest wennen aan de drukte van het verkeer. De kustroute was volledig volgebouwd met luxe appartementen, villa's en dure hotels. Daar tussendoor liep een vierbaans snelweg. Met moeite zag je tussen de huizen door aan de ene kant de zee, aan de andere kant de bergen. Niet mijn idee van een reisdoel, maar helemaal vrijwillig reden we daar dan ook niet.
Vier weken geleden kwam Francina, mijn echtgenote, terug van een telefoongesprek met haar moeder en vertelde dat die een leuke verrassing voor ons had bedacht. Ze kwam ons bezoeken!
Mijn eerste reactie was: "Wat! Nu al? We zijn nog geen twee maanden weg!"
Dat had ik beter niet kunnen zeggen, want Francina was wel enthousiast en verweet mij mijn ongastvrijheid. Nou ja, zo bedoelde ik het ook niet, alleen, ik vermaakte me best elke dag en miste de familie in het geheel niet. Dat het omgekeerd misschien wel zo was, had ik nog niet bij stilgestaan. Francina' moeder zou zich waarschijnlijk wel zorgen maken, ze had natuurlijk geen idee hoe ons leventje eruit zag.
"Ze heeft een vlucht geboekt naar Málaga," ging Francina verder, "En wil dan een weekje bij tante Louise blijven of met ons meerijden..."
"Naar Málaga...?" onderbrak ik haar, "Maar daar gaan we helemaal niet naar toe!"
"Dat weet ik ook wel," antwoordde Francina, "Maar ze heeft al geboekt! En bovendien, zover uit de richting ligt het ook weer niet."
Mijn schoonmoeder, die ik Suzan noem, is een jaar of zeventig, ziet eruit als echte oma, al is haar gedrag niet oma-achtig. Ze is dol op reizen, heeft vrijwel alle werelddelen gezien en is altijd onderweg.
In de loop van de middag kwamen we bij het vliegveld van Málaga en ik parkeerde Gijs recht voor de uitgang van het hoofdgebouw. We moesten een paar uur wachten, maar het leuke van reizen met een kampeerauto is dat we overal "thuis" zijn, zelfs midden op een drukke internationale luchthaven.
Toch hielden we het gevoel dat we zaten te "wachten", want ik keek tenminste regelmatig op de klok. Francina zette nog een extra pot koffie en raakte in paniek toen ik de vers gebakken chocoladetaart vast wilde aansnijden.
Tijdens het wachten begon ik me steeds meer zorgen te maken hoe dat nu moest gaan de komende week. Met zijn tweeën konden we het best uithouden in Gijs, maar of dat ook met zijn drieën zou gaan...? Hoe dichter het moment naderde dat mijn schoonmoeder zou arriveren, hoe meer ik begon te twijfelen, zeker nu ik de ruimte in onze auto nog eens kritisch bekeek. Nadat we Gijs kochten, had ik een mooie badkamer getimmerd, met daarin een cassettetoilet en een handdouche, maar meer dan een grote kast was het niet. Ons beviel dat prima, maar of mijn schoonmoeder daar mee overweg zou kunnen...? Het watergebruik zou met zijn drieën ook wel de spuigaten uitlopen. Onder de auto zat een schoonwatertank van ruim honderd liter en voor ons tweeën was dat voldoende voor ongeveer vier dagen. Maar met zijn drieën? Misschien wilde ze wel elke dag onder de douche...!
En de nachten...?
Hoe langer het wachten duurde, hoe groter de problemen leken te worden. Ik stelde voor om maar een week lang campings te nemen, dan waren we gelijk van het waterprobleem af. Francina snapte niet waarom ik me ineens zo druk maakte, maar als ik me daardoor rustiger zou voelen dan moest het maar.
Het vliegtuig arriveerde precies op tijd en na een kwartiertje zagen we onze gast door de douane komen. Het viel niet moeilijk haar te herkennen tussen de andere passagiers met haar grijze krullen, twee koffers en een loodzware tas.
TWEE KOFFERS EN EEN LOODZWARE TAS...!!!
Wat zat daar in hemelsnaam in? Ze wist toch dat we maar heel weinig ruimte hadden? Ik dacht dat ze maar één week zou blijven? Moest ze daarvoor zo'n uitgebreide garderobe meenemen? Waar moesten we die bagage in godsnaam laten?
Voorzichtig informeerde ik, na de eerste begroeting, naar de inhoud van haar koffers. "Dat is een verrassing," zei Suzan, "Die gaan we straks uitpakken!"
Nog op het vliegveld praatten we bij met koffie en chocoladetaart, maar na een kwartiertje zei Suzan langs haar neus weg:
"Zeg, ik wil jullie niet haasten, maar ik heb vanavond afgesproken met Louise. Zij heeft me uitgenodigd om bij haar te logeren, maar ik rij veel liever met jullie mee, hoor!"
"Natuurlijk," zei Francina enthousiast, mij ondertussen een por gevend, "Dat is veel leuker, waar woont tante Louise precies?"
"Ze moet ergens vlakbij dit vliegveld wonen in een plaatsje dat Marbella heet. Kunnen we daar nu naar toe rijden?"
"Marbella...? Maar dat ligt helemaal niet vlak bij het vliegveld," schoot ik uit, "Dat is zeker zestig kilometer rijden!"
Die opmerking kwam me op twee paar boze ogen te staan.
Nadat ik alle bagage op ons bed boven de cabine had gestouwd, reed ik over de drukke N340 richting Marbella. Francina bleef met haar moeder achterin zitten. Ongelooflijk wat die twee elkaar allemaal te vertellen hadden. Ik had geen idee waar ik precies naar toe moest. Suzan had me een adres gegeven, met de mededeling: "Het is vlakbij een grote golfbaan."
Dat wordt zoeken, dacht ik, maar haalde opgelucht adem toen ik vlak bij Marbella grote reclameborden van een golfterrein zag. Dat bleek te vroeg te zijn, want daar was het niet. De volgende golfbaan ook niet en de daaropvolgende ook niet. Al die tijd zaten Francina en haar moeder achter in de auto honderduit te kletsen en informeerden af en toe liefjes of we er nog niet waren.
Uiteindelijk, na drie kwartier zoeken, vragen en rondrijden vond ik de juiste golfbaan. Tante Louise woonde in een fraai flatgebouw tussen de achtste en de negende hole en daar werden we ontvangen met een hartelijk:
"Waar bleven jullie zolang...?"
Het was behoorlijk laat toen we vertrokken. Van tevoren had ik Suzan gevraagd of ze bezwaar had om "op straat" te slapen of had ze liever dat we een camping zochten?
"Nee hoor," zei ze, "Doen jullie maar precies zoals jullie altijd doen. Dat vind ik leuk."
Doen zoals we altijd doen? Dat zal niet gaan met zijn drieën in een ruimte van vier bij twee meter. Maar goed, als zij geen bezwaar maakte, dan geen camping. Ik reed naar de boulevard van Marbella en parkeerde Gijs.
Eerst moesten de koffers uitgepakt worden. Ik zette ze op tafel en pakje na pakje kwam tevoorschijn. Ongelofelijk wat Suzan allemaal voor ons had meegenomen: thee, chocoladehagelslag, een bolletje Edammer kaas, rookworst, pindakaas, zuurkool, koffie, pepernoten en zelfs een paar chocoladeletters.
"Typisch Hollandse lekkernijen, die je in Spanje niet kan kopen," verzekerde ze ons.
Ik had ze niet gemist, maar toen ik deze uitstalling zag kreeg ik acuut trek en zaten we om half twee 's nachts op de boulevard van Marbella pepernoten en zoute drop te eten.
Van slapen kwam het eerste uur niets, moeder en dochter raakten niet uitgepraat. Alsof ze elkaar twee jaar niet gezien hadden in plaats van twee maanden. Toen we alle drie tegelijk begonnen te gapen werd het tijd om naar bed te gaan. Ik had me voor niets zorgen gemaakt, de ruimte was geen probleem. Met behulp van de tafel kon ik van onze rondzit een tweepersoonsbed maken, maar Suzan wilde op de lange bank langs de zijwand slapen. Dat scheelde een hoop breekwerk elke avond. Nadat we ons wat onwennig hadden uitgekleed, kropen we in ons eigen bed boven de cabine om na een kuise nachtzoen te gaan slapen.
De volgende dag reden we naar Estepona, waar bij het haventje markt gehouden werd. Bij het uitstappen gleed Suzan van het trapje en maakte een nare smak. Nadat ik haar overeind geholpen had, zei ze met een van pijn vertrokken gezicht:
"Niets aan de hand, het gaat wel weer."
Terwijl we over de markt liepen zag ik dat het lopen haar steeds moeilijker af ging en op een gegeven moment moest ze zelfs af en toe op mij steunen. Strompelend en kreunend kwamen we terug bij Gijs.
Nu kwam mijn EHBO-cursus goed van pas. Ik installeerde Suzan op de bank en trok haar schoen uit. De voet was opgezet en helemaal rood. Ik legde een drukverband aan en zei dat ze voorlopig niet meer op die voet moest steunen. In de loop van de middag ging de voet echter steeds meer pijn doen en ik werd bang dat haar voet gebroken was.
Er zat niets anders op dan een dokter te zoeken en hem om raad te vragen. Aan de rand van Estepona zag ik een EHBO-post, een klein, witgeschilderd houten gebouwtje met een rood kruis erop. Ik stopte, ging naar binnen en kwam terecht in een kaal houten hokje met in het midden een metalen tafel waaraan vier mannen in gevechtspak zaten te kaarten. In een zijkamertje lag een vijfde man geheel gekleed op een stapelbed te slapen. De radio stond loeihard aan en ik moest schreeuwen om mezelf verstaanbaar te maken. Nadat ik mijn probleem had uitgelegd stormden ze alle vijf tegelijk naar buiten.
Mijn schoonmoeder had de vijf mannen zien aankomen en maakte een grapje dat die haar zeker kwamen halen, maar toen ze allemaal tegelijk de auto instapten en zich om haar verdrongen, schrok ze.
De "leider" van het stel bekeek haar voet, duwde en drukte wat, waardoor Suzan wit wegtrok van de pijn. De jongens keken bedenkelijk, overlegden even met elkaar en kwamen tot de conclusie: "Gebroken! Die moet naar het ziekenhuis."
Tegen de tijd dat ik het ziekenhuis had gevonden, moest ik Suzan met een geleende rolstoel het ziekenhuis inrijden, de pijn was inmiddels zo hevig geworden dat ze niet meer kon lopen.
De dokter bekeek de voet, duwde en drukte wat, waardoor Suzan opnieuw wit wegtrok van de pijn.
"Waarschijnlijk middenvoetsbeentje gebroken," constateerde hij, "maar om zeker te zijn moet ik een röntgenfoto maken."
Een half uurtje later kregen we de uitslag van de röntgenfoto. Gelukkig had Suzan haar voet niet gebroken, maar wel zwaar gekneusd. De dokter legde een nieuw drukverband aan, schreef een recept uit voor pijnstillers en zei tegen mijn schoonmoeder dat ze een week lang absolute rust moest houden met haar voet. Suzan een week rust houden...?
De volgende morgen werden we gewekt door het ruisen van de zee en bij het binnenvallende licht van een prachtige zonsopgang maakte Francina het ontbijt klaar. Suzan zei dat ze geen last meer had van haar voet, maar ik kende haar langer dan vandaag en vond dat ze toch een weekje binnen moest blijven.
We konden zoveel mogelijk onze dagelijkse gewoonten aanhouden, had mijn schoonmoeder gezegd dus als vanzelfsprekend pakten zowel Francina als ik een boek en verscholen ons achter de pagina's.
Na een uurtje vroeg Suzan, die uit pure aanpassing een tijdschrift had opgepakt:
"Jullie lezen toch niet de hele dag?"
Als het aan mij lag wel, maar als zij een beter voorstel had? Terwijl ik dat vroeg begon ik al te lachen, want als mijn schoonmoeder iets graag deed dan was het wel kaarten.
Haar ogen begonnen te stralen en twee tellen later zaten we met een spel kaarten voor ons. De eerste paar spelletjes verloor ik, en kreeg gauw door dat mijn schoonmoeder vals speelde bij het leven. Ze deed alsof ze "per ongeluk" een foutje maakte, maar ik wist wel beter. Suzan mocht dan grijze haren hebben, haar grijze hersenmassa werkte nog als de beste. Als ze op haar bridgeclub net zo vals speelt wordt ze er binnenkort afgegooid. Of zouden al die ouwetjes vals spelen?
Na een paar dagen hobbelde Suzan weer aardig rond op haar gekneusde voet. Om haar, vanuit de auto, toch wat meer van Spanje te laten zien dan de Costa del Sol reden we dwars door de bergen in de richting van Ronda en Ecija. We overnachtten steeds bij een ander stadje, waarbij ik ervoor zorgde dat ik Gijs zo parkeerde dat Suzan vanuit haar positie op de bank een mooi uitzicht had.
"Op een terrasje zou je niet beter zitten!" zei ze en daar had ze gelijk in.
Al mijn angsten voor de komst van Suzan bleken ongegrond. Ze paste zich makkelijk aan en langzamerhand ontstond een nieuw ritme in ons leventje, met elke dag kaarten, lekker eten, en vooral veel kletsen.
"Gijs is geen vijf sterrenhotel," zei Suzan, "Maar de verzorging kan niet beter zijn."
De avond voor haar vertrek stonden we bij de haven van Málaga. Het mooie weer van de afgelopen week was duidelijk voorbij. De lucht werd inktzwart en het waaide behoorlijk. 's Nachts wakkerde de wind nog verder aan, zodat Gijs stond te schudden op zijn wielen en wij in slaap werden gewiegd door het getik van de regendruppels op het dak. Laat in de nacht brak een hevig onweer vlak boven ons hoofd los en de rest van de nacht bleef het stortregenen. Op de radio hoorden we dat zuidoost Spanje getroffen was door een enorm noodweer.
Inderdaad, toen we even later Málaga uit reden zagen we dat een vloedgolf de snelweg had overspoeld. Gek, je hoort zo'n bericht op de radio, maar geen van drieën waren we voorbereid op de enorme ravage die we onderweg aantroffen. Muren ingestort, huizen onder water, auto's van de weg gespoeld, kortom één grote puinhoop. En dan te bedenken dat wij daar vannacht nog geen kilometer vanaf stonden!
Zoals meestal, wanneer een ramp je niet persoonlijk treft, zaten we elkaar sensatiebelust te wijzen op alle omver gespoelde muren, ondergelopen auto's en winkels vol met modder. Ik schrok pas echt toen ik zag dat de weg naar het vliegveld was afgesloten!
"Maak je maar geen zorgen," zei ik tegen Suzan, "Ik krijg je hoe dan ook het vliegtuig in!"
Via een lange omweg wist ik het vliegveld te bereiken. Het inchecken was al begonnen en we hadden nauwelijks tijd om afscheid te nemen. Haar laatste woorden waren:
"Ik heb een heerlijke vakantie gehad! Ik kom nog een keer!"