Op Reis met Gijs

Schoonmoeder op bezoek

op-reis-09Begin november naderden we met "Gijs", onze kampeerauto, de Costa del Sol in Zuid-Spanje. Na een prachtige tocht dwars door het binnenland bevonden we ons ineens midden in de "beschaving", waar "Wimpy", "Burgerking" en "McDonald's" wedijverden om het beste plekje bij het strand. Ik moest wennen aan de drukte van het verkeer. De kustroute was volledig volgebouwd met luxe appartementen, villa's en dure hotels. Daar tussendoor liep een vierbaans snelweg. Met moeite zag je tussen de huizen door aan de ene kant de zee, aan de andere kant de bergen. Niet mijn idee van een reisdoel, maar helemaal vrijwillig reden we daar dan ook niet.
Vier weken geleden kwam Francina, mijn echtgenote, terug van een telefoongesprek met haar moeder en vertelde dat die een leuke verrassing voor ons had bedacht. Ze kwam ons bezoeken!
Mijn eerste reactie was: "Wat! Nu al? We zijn nog geen twee maanden weg!"
Dat had ik beter niet kunnen zeggen, want Francina was wel enthousiast en verweet mij mijn ongastvrijheid. Nou ja, zo bedoelde ik het ook niet, alleen, ik vermaakte me best elke dag en miste de familie in het geheel niet. Dat het omgekeerd misschien wel zo was, had ik nog niet bij stilgestaan. Francina' moeder zou zich waarschijnlijk wel zorgen maken, ze had natuurlijk geen idee hoe ons leventje eruit zag.
"Ze heeft een vlucht geboekt naar Málaga," ging Francina verder, "En wil dan een weekje bij tante Louise blijven of met ons meerijden..."
"Naar Málaga...?" onderbrak ik haar, "Maar daar gaan we helemaal niet naar toe!"
"Dat weet ik ook wel," antwoordde Francina, "Maar ze heeft al geboekt! En bovendien, zover uit de richting ligt het ook weer niet."

Mijn schoonmoeder, die ik Suzan noem, is een jaar of zeventig, ziet eruit als echte oma, al is haar gedrag niet oma-achtig. Ze is dol op reizen, heeft vrijwel alle werelddelen gezien en is altijd onderweg.
In de loop van de middag kwamen we bij het vliegveld van Málaga en ik parkeerde Gijs recht voor de uitgang van het hoofdgebouw. We moesten een paar uur wachten, maar het leuke van reizen met een kampeerauto is dat we overal "thuis" zijn, zelfs midden op een drukke internationale luchthaven.
Toch hielden we het gevoel dat we zaten te "wachten", want ik keek tenminste regelmatig op de klok. Francina zette nog een extra pot koffie en raakte in paniek toen ik de vers gebakken chocoladetaart vast wilde aansnijden.
Tijdens het wachten begon ik me steeds meer zorgen te maken hoe dat nu moest gaan de komende week. Met zijn tweeën konden we het best uithouden in Gijs, maar of dat ook met zijn drieën zou gaan...? Hoe dichter het moment naderde dat mijn schoonmoeder zou arriveren, hoe meer ik begon te twijfelen, zeker nu ik de ruimte in onze auto nog eens kritisch bekeek. Nadat we Gijs kochten, had ik een mooie badkamer getimmerd, met daarin een cassettetoilet en een handdouche, maar meer dan een grote kast was het niet. Ons beviel dat prima, maar of mijn schoonmoeder daar mee overweg zou kunnen...? Het watergebruik zou met zijn drieën ook wel de spuigaten uitlopen. Onder de auto zat een schoonwatertank van ruim honderd liter en voor ons tweeën was dat voldoende voor ongeveer vier dagen. Maar met zijn drieën? Misschien wilde ze wel elke dag onder de douche...!
En de nachten...?
Hoe langer het wachten duurde, hoe groter de problemen leken te worden. Ik stelde voor om maar een week lang campings te nemen, dan waren we gelijk van het waterprobleem af. Francina snapte niet waarom ik me ineens zo druk maakte, maar als ik me daardoor rustiger zou voelen dan moest het maar.

Het vliegtuig arriveerde precies op tijd en na een kwartiertje zagen we onze gast door de douane komen. Het viel niet moeilijk haar te herkennen tussen de andere passagiers met haar grijze krullen, twee koffers en een loodzware tas.
TWEE KOFFERS EN EEN LOODZWARE TAS...!!!
Wat zat daar in hemelsnaam in? Ze wist toch dat we maar heel weinig ruimte hadden? Ik dacht dat ze maar één week zou blijven? Moest ze daarvoor zo'n uitgebreide garderobe meenemen? Waar moesten we die bagage in godsnaam laten?
Voorzichtig informeerde ik, na de eerste begroeting, naar de inhoud van haar koffers. "Dat is een verrassing," zei Suzan, "Die gaan we straks uitpakken!"

Nog op het vliegveld praatten we bij met koffie en chocoladetaart, maar na een kwartiertje zei Suzan langs haar neus weg:
"Zeg, ik wil jullie niet haasten, maar ik heb vanavond afgesproken met Louise. Zij heeft me uitgenodigd om bij haar te logeren, maar ik rij veel liever met jullie mee, hoor!"
"Natuurlijk," zei Francina enthousiast, mij ondertussen een por gevend, "Dat is veel leuker, waar woont tante Louise precies?"
"Ze moet ergens vlakbij dit vliegveld wonen in een plaatsje dat Marbella heet. Kunnen we daar nu naar toe rijden?"
"Marbella...? Maar dat ligt helemaal niet vlak bij het vliegveld," schoot ik uit, "Dat is zeker zestig kilometer rijden!"
Die opmerking kwam me op twee paar boze ogen te staan.

Nadat ik alle bagage op ons bed boven de cabine had gestouwd, reed ik over de drukke N340 richting Marbella. Francina bleef met haar moeder achterin zitten. Ongelooflijk wat die twee elkaar allemaal te vertellen hadden. Ik had geen idee waar ik precies naar toe moest. Suzan had me een adres gegeven, met de mededeling: "Het is vlakbij een grote golfbaan."
Dat wordt zoeken, dacht ik, maar haalde opgelucht adem toen ik vlak bij Marbella grote reclameborden van een golfterrein zag. Dat bleek te vroeg te zijn, want daar was het niet. De volgende golfbaan ook niet en de daaropvolgende ook niet. Al die tijd zaten Francina en haar moeder achter in de auto honderduit te kletsen en informeerden af en toe liefjes of we er nog niet waren.
Uiteindelijk, na drie kwartier zoeken, vragen en rondrijden vond ik de juiste golfbaan. Tante Louise woonde in een fraai flatgebouw tussen de achtste en de negende hole en daar werden we ontvangen met een hartelijk:
"Waar bleven jullie zolang...?"

Het was behoorlijk laat toen we vertrokken. Van tevoren had ik Suzan gevraagd of ze bezwaar had om "op straat" te slapen of had ze liever dat we een camping zochten?
"Nee hoor," zei ze, "Doen jullie maar precies zoals jullie altijd doen. Dat vind ik leuk."
Doen zoals we altijd doen? Dat zal niet gaan met zijn drieën in een ruimte van vier bij twee meter. Maar goed, als zij geen bezwaar maakte, dan geen camping. Ik reed naar de boulevard van Marbella en parkeerde Gijs.
Eerst moesten de koffers uitgepakt worden. Ik zette ze op tafel en pakje na pakje kwam tevoorschijn. Ongelofelijk wat Suzan allemaal voor ons had meegenomen: thee, chocoladehagelslag, een bolletje Edammer kaas, rookworst, pindakaas, zuurkool, koffie, pepernoten en zelfs een paar chocoladeletters.
"Typisch Hollandse lekkernijen, die je in Spanje niet kan kopen," verzekerde ze ons.
Ik had ze niet gemist, maar toen ik deze uitstalling zag kreeg ik acuut trek en zaten we om half twee 's nachts op de boulevard van Marbella pepernoten en zoute drop te eten.
Van slapen kwam het eerste uur niets, moeder en dochter raakten niet uitgepraat. Alsof ze elkaar twee jaar niet gezien hadden in plaats van twee maanden. Toen we alle drie tegelijk begonnen te gapen werd het tijd om naar bed te gaan. Ik had me voor niets zorgen gemaakt, de ruimte was geen probleem. Met behulp van de tafel kon ik van onze rondzit een tweepersoonsbed maken, maar Suzan wilde op de lange bank langs de zijwand slapen. Dat scheelde een hoop breekwerk elke avond. Nadat we ons wat onwennig hadden uitgekleed, kropen we in ons eigen bed boven de cabine om na een kuise nachtzoen te gaan slapen.

De volgende dag reden we naar Estepona, waar bij het haventje markt gehouden werd. Bij het uitstappen gleed Suzan van het trapje en maakte een nare smak. Nadat ik haar overeind geholpen had, zei ze met een van pijn vertrokken gezicht:
"Niets aan de hand, het gaat wel weer."
Terwijl we over de markt liepen zag ik dat het lopen haar steeds moeilijker af ging en op een gegeven moment moest ze zelfs af en toe op mij steunen. Strompelend en kreunend kwamen we terug bij Gijs.
Nu kwam mijn EHBO-cursus goed van pas. Ik installeerde Suzan op de bank en trok haar schoen uit. De voet was opgezet en helemaal rood. Ik legde een drukverband aan en zei dat ze voorlopig niet meer op die voet moest steunen. In de loop van de middag ging de voet echter steeds meer pijn doen en ik werd bang dat haar voet gebroken was.
Er zat niets anders op dan een dokter te zoeken en hem om raad te vragen. Aan de rand van Estepona zag ik een EHBO-post, een klein, witgeschilderd houten gebouwtje met een rood kruis erop. Ik stopte, ging naar binnen en kwam terecht in een kaal houten hokje met in het midden een metalen tafel waaraan vier mannen in gevechtspak zaten te kaarten. In een zijkamertje lag een vijfde man geheel gekleed op een stapelbed te slapen. De radio stond loeihard aan en ik moest schreeuwen om mezelf verstaanbaar te maken. Nadat ik mijn probleem had uitgelegd stormden ze alle vijf tegelijk naar buiten.
Mijn schoonmoeder had de vijf mannen zien aankomen en maakte een grapje dat die haar zeker kwamen halen, maar toen ze allemaal tegelijk de auto instapten en zich om haar verdrongen, schrok ze.
De "leider" van het stel bekeek haar voet, duwde en drukte wat, waardoor Suzan wit wegtrok van de pijn. De jongens keken bedenkelijk, overlegden even met elkaar en kwamen tot de conclusie: "Gebroken! Die moet naar het ziekenhuis."

Tegen de tijd dat ik het ziekenhuis had gevonden, moest ik Suzan met een geleende rolstoel het ziekenhuis inrijden, de pijn was inmiddels zo hevig geworden dat ze niet meer kon lopen.
De dokter bekeek de voet, duwde en drukte wat, waardoor Suzan opnieuw wit wegtrok van de pijn.
"Waarschijnlijk middenvoetsbeentje gebroken," constateerde hij, "maar om zeker te zijn moet ik een röntgenfoto maken."
Een half uurtje later kregen we de uitslag van de röntgenfoto. Gelukkig had Suzan haar voet niet gebroken, maar wel zwaar gekneusd. De dokter legde een nieuw drukverband aan, schreef een recept uit voor pijnstillers en zei tegen mijn schoonmoeder dat ze een week lang absolute rust moest houden met haar voet. Suzan een week rust houden...?

De volgende morgen werden we gewekt door het ruisen van de zee en bij het binnenvallende licht van een prachtige zonsopgang maakte Francina het ontbijt klaar. Suzan zei dat ze geen last meer had van haar voet, maar ik kende haar langer dan vandaag en vond dat ze toch een weekje binnen moest blijven.
We konden zoveel mogelijk onze dagelijkse gewoonten aanhouden, had mijn schoonmoeder gezegd dus als vanzelfsprekend pakten zowel Francina als ik een boek en verscholen ons achter de pagina's.
Na een uurtje vroeg Suzan, die uit pure aanpassing een tijdschrift had opgepakt:
"Jullie lezen toch niet de hele dag?"
Als het aan mij lag wel, maar als zij een beter voorstel had? Terwijl ik dat vroeg begon ik al te lachen, want als mijn schoonmoeder iets graag deed dan was het wel kaarten.
Haar ogen begonnen te stralen en twee tellen later zaten we met een spel kaarten voor ons. De eerste paar spelletjes verloor ik, en kreeg gauw door dat mijn schoonmoeder vals speelde bij het leven. Ze deed alsof ze "per ongeluk" een foutje maakte, maar ik wist wel beter. Suzan mocht dan grijze haren hebben, haar grijze hersenmassa werkte nog als de beste. Als ze op haar bridgeclub net zo vals speelt wordt ze er binnenkort afgegooid. Of zouden al die ouwetjes vals spelen?

Na een paar dagen hobbelde Suzan weer aardig rond op haar gekneusde voet. Om haar, vanuit de auto, toch wat meer van Spanje te laten zien dan de Costa del Sol reden we dwars door de bergen in de richting van Ronda en Ecija. We overnachtten steeds bij een ander stadje, waarbij ik ervoor zorgde dat ik Gijs zo parkeerde dat Suzan vanuit haar positie op de bank een mooi uitzicht had.
"Op een terrasje zou je niet beter zitten!" zei ze en daar had ze gelijk in.
Al mijn angsten voor de komst van Suzan bleken ongegrond. Ze paste zich makkelijk aan en langzamerhand ontstond een nieuw ritme in ons leventje, met elke dag kaarten, lekker eten, en vooral veel kletsen.
"Gijs is geen vijf sterrenhotel," zei Suzan, "Maar de verzorging kan niet beter zijn."

De avond voor haar vertrek stonden we bij de haven van Málaga. Het mooie weer van de afgelopen week was duidelijk voorbij. De lucht werd inktzwart en het waaide behoorlijk. 's Nachts wakkerde de wind nog verder aan, zodat Gijs stond te schudden op zijn wielen en wij in slaap werden gewiegd door het getik van de regendruppels op het dak. Laat in de nacht brak een hevig onweer vlak boven ons hoofd los en de rest van de nacht bleef het stortregenen. Op de radio hoorden we dat zuidoost Spanje getroffen was door een enorm noodweer.
Inderdaad, toen we even later Málaga uit reden zagen we dat een vloedgolf de snelweg had overspoeld. Gek, je hoort zo'n bericht op de radio, maar geen van drieën waren we voorbereid op de enorme ravage die we onderweg aantroffen. Muren ingestort, huizen onder water, auto's van de weg gespoeld, kortom één grote puinhoop. En dan te bedenken dat wij daar vannacht nog geen kilometer vanaf stonden!
Zoals meestal, wanneer een ramp je niet persoonlijk treft, zaten we elkaar sensatiebelust te wijzen op alle omver gespoelde muren, ondergelopen auto's en winkels vol met modder. Ik schrok pas echt toen ik zag dat de weg naar het vliegveld was afgesloten!
"Maak je maar geen zorgen," zei ik tegen Suzan, "Ik krijg je hoe dan ook het vliegtuig in!"
Via een lange omweg wist ik het vliegveld te bereiken. Het inchecken was al begonnen en we hadden nauwelijks tijd om afscheid te nemen. Haar laatste woorden waren:
"Ik heb een heerlijke vakantie gehad! Ik kom nog een keer!"

 

"Eerste keer naar Marokko?"

op-reis-16Even voorbij Estepona in Zuid-Spanje zag ik een leuk plekje bij een jachthaven. Op het terrein bij de haven stonden een paar andere campers en ik parkeerde Gijs, onze kampeerauto, daar in de buurt. Bij het uitstappen werd Francina, mijn echtgenote, direct aangesproken door de bewoner van een donkerblauwe Mercedes 508, Jopie genaamd. Zijn leeftijd lag ergens tussen de zestig en zeventig. Hij had een wilde bos wit haar, een ruige, in geen jaren bijgeknipte baard en kleine, fonkelende pretogen. Met een rood pak kon hij zo voor kerstman spelen. Jopie vertelde al vijfentwintig jaar lang elke winter naar Marokko te gaan. Als we ook die kant uitgingen wilde hij ons best wat tips geven.
Naar Marokko...? Daar had ik niet serieus over nagedacht. Waarom niet...? Het klonk wel aantrekkelijk. Maar zou dat wel veilig zijn met de auto...? Zouden we niet beter Gijs ergens achter kunnen laten en dan met een rugzak door Marokko trekken?
"Jullie lijken wel gek!" barstte Jopie los, "Natuurlijk kun je met de auto naar Marokko! En dan moet je niet alleen naar Marrakech. Dat is niks! Nee, jullie moeten verder, de Hoge Atlas over. Daar is het pas echt mooi!"
Ik twijfelde. Hoewel, als iemand van Jopie's leeftijd met een kampeerauto naar Marokko ging moest ik dat toch ook kunnen? Spontaan besloten Francina en ik de oversteek te wagen en om vast een beetje in de stemming te komen zocht ik op de autoradio naar "Radio Casablanca".

De volgende dag reden we naar Algeciras, vanwaar dagelijks een veerboot naar Ceuta vertrok. De stad maakte op mij geen bijzondere indruk. Het was een drukke havenplaats, waar de luchtvervuiling als een dikke deken boven de grauwe huizen hing.
Om Marokko in te komen had ik een visum nodig en ergens in Algeciras moest een Marokkaans vice-consulaat zijn waar ik dat kon kopen.
Na wat zoeken en vragen vond ik het vice-consulaat op de vierde verdieping van een oud, bruin flatgebouw. Ik kwam terecht in een vaal, versleten oud kantoor waar drie mannen in leren jasjes volstrekt niets zaten te doen.
"Een visum voor Marokko? Natuurlijk kunt u hier als Nederlander een visum krijgen! Gaat u voor het eerst naar Marokko?"
Nadat ik onze paspoorten had afgegeven duurde het een kwartiertje voor ik ze terug kreeg met een mooi gestempeld visum erin. Van mijn laatste peseta's moest ik omgerekend zeventig gulden betalen, zeker vijf keer zo veel dan het in Nederland gekost zou hebben. Op het visum waren zegeltjes ter waarde van een gulden of vijftig geplakt. Waar was de rest van mijn geld gebleven?
Ik reed terug naar de haven en zette Gijs neer op het officiële parkeerterrein van de veerdienst. Meteen kwam een knaap op mijn auto afrennen en riep: "Tickets?, tickets?"
Toen ik hem vragend aankeek, zei hij: "Kom maar mee, Ik weet waar je goedkope kaartjes kunt krijgen." Ik volgde hem naar één van de vele boekingskantoren, maar had te weinig peseta's bij me om contant te kunnen betalen en de man achter de balie accepteerde geen creditcards.
"Geeft niets," riep mijn gids, "Ik breng je wel naar het postkantoor!"
Daar aangekomen probeerde ik van mijn trouwe begeleider af te komen door hem vijfhonderd peseta's in zijn hand te drukken. Dat hielp echter niets. Hij bleef als een trouwe hond vlak naast me staan. Weer buiten wist ik hem duidelijk te maken dat ik het verder wel alleen af kon. Hij gaf me daarop het biljet van vijfhonderd peseta's terug en gebaarde dat hij duizend peseta's wilde hebben. Een beetje in verwarring gebracht en om van hem af te zijn gaf ik ze en weg was hij! Ik nam me voor dat dit de eerste en de laatste keer was dat ik de hulp van een gids zou aannemen.
Terug bij het boekingskantoor waren de tickets gauw geregeld. De man achter de balie maakte telefonisch een boeking en zei:
"U moet wel snel zijn, over vijftien minuten vertrekt de boot!"

Twee uur later waren we in Ceuta en eerlijk gezegd had ik niet verwacht me zo snel in Noord-Afrika te bevinden. Ceuta is een Spaanse vrijhandelshaven, waar je belastingvrij kunt kopen. In de nauwe straatjes stikte het van winkeltjes met fototoestellen, radio's, horloges en leren jasjes.
De volgende morgen reden we naar de Marokkaanse grens. Jopie had gewaarschuwd niet in te gaan op een aanbod om de grensdocumenten te verzorgen.
"Ze bieden zich aan als gids," had hij gezegd, "Maar voor je het weet zit je dan bij een tapijthandelaar en ben je een aantal kleedjes rijker en een hoop geld armer."
Dat zou mij niet gebeuren. Ik liep met de paspoorten en mijn kentekenbewijs naar een rij loketten die niets meer waren dan een nauwe opening in een lange witte muur. Een tijd lang gebeurde niets, tot ineens een man achter het loketje verscheen. Hij deelde een stapeltje paspoorten uit aan andere omstanders en nam nieuwe in ontvangst.
Ik drukte hem onze paspoorten in zijn hand en na een kwartiertje wachten kreeg ik ze terug met een hele reeks stempels erin. Een paar loketten verderop moest ik opnieuw mijn paspoort afgeven. Een andere douanebeambte schreef allerlei gegevens van mijn auto over in een soort kasboek en zette opnieuw een stempel in mijn paspoort.
Tot nu toe ging het redelijk vlot, al voelde ik me knap hulpeloos. Eventuele spelregels waren me volstrekt onduidelijk. Een douanebeambte zei dat ik verder mocht rijden, maar na twintig meter werd ik opnieuw tegengehouden. Een andere douanebeambte en een militair stapten samen de kampeerauto binnen. De douanebeambte kwam niet verder dan onze passpiegel waar hij uitgebreid voor bleef staan om wat imaginaire stofjes van zijn uniform te vegen. De militair doorzocht intussen onze auto en wilde weten of we voor de eerste keer in Marokko waren? De man was erg vriendelijk en ik aarzelde, moest ik hem wel of niet geld geven? Ik deed het niet, ondanks dat Jopie had gezegd dat ik een biljet van honderd dirham in mijn paspoort moest stoppen, "dan zou het sneller gaan". Achteraf was ik blij dat ik het niet gedaan had. Het blijft omkoping en dat was tegen mijn principes.
Alles bij elkaar had het passeren van de grens een uur geduurd. Ik moest lachen om een stel die stonden te onderhandelen met een "gids" om voor hen de grensdocumenten te verzorgen. Die komen beslist in een tapijtwinkel terecht, dacht ik. Ik lachte iets te vroeg.

De weg was goed te berijden, breed en geasfalteerd. Langs de weg stonden veel villa's. Ik vond het teleurstellend veel op Zuid-Spanje lijken. Pas toen we de stad Tetouan binnenreden zag ik het Marokko zoals ik het me voorgesteld had. Witgekalkte huizen, smalle stoffige straten, mannen in lange witte gewaden met kleurige kapjes op hun hoofd en gesluierde vrouwen.
Bij een rood verkeerslicht kwam een man op een brommertje naast onze kampeerauto staan en riep luid tegen me:
"Nederland, Welkom in Marokko, Amsterdam, Ajax!"
Toen het licht op groen sprong bleef hij voor me rijden. De man was heel vriendelijk. Vanaf zijn brommertje wees hij ons de medina - de oude wijk - en gebaarde dat we achter hem aan moesten rijden naar een parkeerplaats. Dat zag ik echter niet zitten door al die nauwe straatjes en zocht zelf een plekje.
Meteen nadat ik Gijs had geparkeerd op een kaal veldje zette de man zijn brommertje voor mijn auto en zei:
"Goeie parkeerplaats! Eerste keer in Marokko?"
Hij was gekleed in een vale spijkerbroek met daar overheen een lang wit hemd. Opvallend waren zijn donkere ogen. Ik schatte hem op een jaar of dertig. Hij vertelde dat hij Mustafa heette en begon een heel verhaal over zijn vele vrienden in Nederland. Inmiddels was ook een groep jongetjes van een jaar of tien om ons heen komen staan. Mustafa wees een van de jongetjes aan en zei tegen me:
"Geef hem maar een dirham, dan zal hij de auto voor je bewaken, terwijl ik je de stad laat zien."
Ik had nog geen Marokkaans geld en wilde eerst op zoek naar een postkantoor om geld te wisselen, dus zei ik dat mijn auto niet bewaakt hoefde te worden, bovendien had ik geen behoefte aan een gids! Mustafa scheen zich niets van mijn woorden aan te trekken en bleef naast ons lopen. Hij vertelde het een en ander over de geschiedenis van de stad, over het verschil tussen de mensen in de stad en die in het Rifgebergte en over de verschillende geloofsbelevenissen van de Islam. Mustafa kon goed vertellen en tenslotte besloot ik hem toch maar als gids te nemen. Ik bood hem drie dirham in de verwachting dat hij meer zou vragen, maar nee hoor, Mustafa ging gelijk met het bedrag akkoord.
Mustafa loodste ons dwars door nauwe steegjes en straatjes, waar handwerkslieden, bakkers en kooplui hun waren aanboden. De medina was een reusachtig doolhof waaruit beslist de weg terug niet had kunnen vinden. Op elke hoek zat wel een bedelaar, die zijn hand naar me uitstrekte. Ik had geen idee wat ik daar mee aanmoest, de een zag er nog zieliger uit dan de ander. Mustafa merkte dat ik het er moeilijk mee had en zei:
"Denk niet dat je in je eentje het armoede probleem van Marokko kunt oplossen. Zorg gewoon dat je altijd wat muntjes in je zak hebt, en geef die dan ook!"
Plotseling sloeg Mustafa ergens linksaf, ging een poortje door en bracht ons in een hal waar honderden tapijten lagen. Dat was nou precies waar Jopie ons voor gewaarschuwd had. Er was geen ontkomen aan. Binnen stonden twee mannen in een keurig pak te wachten. Ze begroetten ons vriendelijk, vroegen of we voor het eerst in Marokko waren en brachten ons naar een hoekje van de hal, waar we moesten plaatsnemen op een grote stapel kussens. Eerst kregen we heel zoete muntthee aangeboden en daarna werden de tapijten één voor één uitgerold. Ik zei gelijk dat ik niets wilde kopen, waarop Mustafa zei:
"Geeft niets, ze willen de tapijten alleen graag even laten zien."
De twee mannen waren echte verkopers, bleven volhouden en vroegen steeds welk tapijt ik mooier vond: "Deze of die?" Het waren inderdaad prachtige, handgeknoopte tapijten en niet echt duur. Maar ook ik kan koppig zijn: "Nee, ik wil géén tapijt, ik heb géén creditcard, géén Visa, géén American Express en nee, ook géén Eurocheque!"
Nadat we onze glazen thee leeg hadden gedronken, stond ik op en zei dat we weg gingen. Op dat moment werd het duidelijk voor de verkopers dat ik niet van plan was iets te kopen. Vriendelijk groetend werden we uitgeleide gedaan.
Tijdens de terugweg naar de auto sprak onze gids geen woord meer. Het bewakertje stond nog steeds naast Gijs en ik gaf hem de beloofde dirham. Toen ik Mustafa de afgesproken drie dirham wilde geven reageerde hij verontwaardigd. Dertig dirham wilde hij hebben! Dat was tegen onze afspraak en ik weigerde.
"Dan niet!" zei Mustafa en liep weg. Pas veel later realiseerde ik me dat alles wat Mustafa verteld had over het leven in Marokko veel meer waard was dan dertig dirham en kreeg spijt dat ik hem het bedrag niet gegeven had.

De eerste nacht in Marokko wilde ik liever niet op straat doorbrengen. Na enig zoeken vond ik in Martil een kleine camping. Als camping stelde het niet veel voor, een ommuurd stukje zandgrond zonder verdere voorzieningen. Geeft niets, hier waren voorlopig even geen gidsen of bedelaars. Dat had ik gedacht! In no-time stond een knaap in een lang wit hemd naast me.
"Hallo!" zei hij, "Ik heet Hassan. Eerste keer in Marokko?"

De volgende morgen reden we een stukje zuidelijker, naar de stad Chechaouèn. Vanaf Tetouan was dat maar een kilometer of zestig, maar over dat stuk deden we zeker twee uur. De weg slingerde zich constant omhoog en omlaag door een prachtig groen landschap van hoge bergen, diepe dalen en in de zon glinsterende meren.
Op de helft van de tocht stopten we voor koffie. Jopie had verteld dat zodra je ergens stilstaat zich in no-time een aantal kinderen om de auto verzamelen en dan om geld of snoepjes bedelen. Ik was bijna teleurgesteld toen dat niet het geval was. In de verte zag ik op een flauwe berghelling mensen bezig het land om te ploegen en verbaasde me over de in mijn ogen zeer primitieve landbouwmethoden. De mensen werkten met eenvoudige, houten ploegen met meestal twee ossen ervoor, soms een ezel of een koe. Langs de weg liepen vrouwen met enorme takkenbossen op hun rug; hoe houden ze het vol, vroeg ik me af.

Bij het naderen van de stad Chechaouèn kregen we last van hashhandelaren, die langs de kant van de weg stonden om hun waren aan de man te brengen. De mannen maakten rookgebaren of hielden een pakje hash omhoog. Sommigen waren zo brutaal dat ze vlak voor mijn auto de weg opsprongen, zodat ik af en toe behoorlijk op mijn remmen moest trappen. Ik probeerde Gijs niet geheel tot stilstand te laten komen, maar in een scherpe bocht moest ik zoveel afremmen dat één van hen het waagde op mijn voorbumper te springen en zich aan de buitenspiegel vastklemde. Ik schrok me rot, maar gaf toch gas en gelukkig sprong de man weer van mijn bumper af.
Vlak voor de stad moest ik stoppen bij een politiecontrole. De agenten waren aardig, vroegen waar we vandaan kwamen en waar we naar toe gingen. Ook kreeg ik de vraag of we geen problemen hadden gehad onderweg.
"Nee hoor, absoluut niet," antwoordde ik met een stalen gezicht, hoewel de schrik daar waarschijnlijk nog op te lezen stond. De agenten schoten in de lach en gebaarden dat we verder mochten rijden.

In Chechaouèn parkeerde ik Gijs aan de Avenue Hassan II en keek om me heen. Zou Chechaouèn een typisch Marokkaanse stad zijn? De straten waren breed, maar slecht begaanbaar. De meeste zaten vol met kuilen en hobbels. Trottoirs zagen er niet beter uit. Zijwegen waren niet bestraat en naast de vuilwitte huizen lagen enorme bergen puin en soms ook huisvuil. Veel verkeer was er niet.
Direct na het uitstappen werd ik aangesproken door een jongeman die zei:
"Hallo, welkom, welkom! Voor het eerst in Marokko?" Tegelijkertijd haalde hij een brok hash tevoorschijn: "Good stuff?"
Toen was ik het zat. "Nee!" antwoordde ik luid, "Ik kom al voor de zoveelste keer in Marokko en nee, ik rook ook geen hash!"
Tot mijn verbazing hielp dat antwoord meteen en de jongen droop af. Nog een beetje ontdaan liepen we verder de stad in. Blijft dat gezeur zo?
Van diverse kanten hoorde ik vanaf minaretten de oproep tot gebed, een fascinerend geluid, dat me het gevoel gaf in een Islamitisch land te zijn. De overdekte markt was een lust voor het oog. Groenten, fruit en met name dadels en olijven lagen in prachtig opgemaakte, torenhoge stapels op kopers te wachten. De aangeboden waar was van topkwaliteit en in onze ogen spotgoedkoop. Francina kocht meteen aubergines en amandelen.
In een aparte hal zagen we grote hompen vlees, uitgestald op marmeren toonbanken. Daarnaast hokken vol met levende kippen en konijnen. De beesten werden geslacht terwijl je wachtte. Schapen en koeien waren al eerder geslacht en werden "mooi" uitgestald met kop en poten apart ernaast. Er hing een weeë lucht, waar we beiden een beetje misselijk van werden. Vlees kopen vonden we nog een probleem, voorlopig besloten we maar vegetarisch te eten.
Hoewel het druk was op de markt voelde ik me absoluut niet bedreigd, integendeel, de mensen lieten ons met rust. Ik keek mijn ogen uit naar de Marokkanen in hun djellaba's, maar omgekeerd waren ook wij in hun ogen een bezienswaardigheid. Vooral kinderen lieten dat openlijk blijken door te lachen, ons giechelend voorbij te lopen of naar ons te wijzen. Op straat waren de mensen vriendelijk, keken ons wel aan, maar ik werd niet meer lastig gevallen.
Sinds onze aankomst in Marokko liep ik met een opgejaagd gevoel rond in een culturele omgeving, waar ik veel te weinig vanaf wist om me op mijn gemak te voelen. Maar van die wandeling door het stadje werd ik eindelijk een beetje rustig. Ik denk dat ik de juiste houding gevonden heb: doen of je al jaren in Marokko komt, niet onzeker om je heen kijken, zelf het initiatief nemen om iets te vragen en niet te opvallend gekleed gaan.