Op Reis met Gijs

"Laat me je handen eens zien!"

Midden september bevonden we ons in de champagnestreek even ten oosten van de Noord-Franse stad Reims. We volgden een toeristische route die dwars door kleine dorpjes, dichte bossen en de vele wijngaarden voerde. Ondanks dat de zon meestal schuil ging achter een wolkendek was het toch behoorlijk warm.
Nu al begon Francina zich zorgen te maken over onze financiën. Zij vond het tijd worden om werk te zoeken, maar eerlijk gezegd zag ik dat niet zitten. Ik genoot van onze trip, maar ook ik was opgevoed met het idee dat vakantie niet eeuwig duurt. Er moest geld verdiend worden.
Omdat we ons midden tussen de wijngaarden bevonden, lag het idee voor de hand. Druiven plukken! Zo te zien waren de trossen flink rijp en zou het niet lang duren voor de pluk ging beginnen.
Die avond parkeerde ik Gijs voor de nacht op een klein parkeerplaatsje in het dorpje Trépail. Tegen een hek stond een wat sjofel geklede man geleund. Ik stapte naar hem toe en vroeg of hij wist of we ergens werk zouden kunnen vinden.
In gebroken Frans antwoordde hij dat volgende week de druivenoogst zou beginnen en dat ik daarmee, omdat het zwaar werk is, goed geld kon verdienen. Zelf kwam hij speciaal daarvoor uit Portugal.
Het idee om zo geld te verdienen stond me wel aan. De Portugees keek me een beetje ongelovig aan. Ik zag hem naar mijn kleren kijken en ik hoorde hem denken dat Nederlanders toch niet in het buitenland hoeven te werken om het nodige geld te verdienen.
Toen ik volhield dat ik met druivenplukken de kost wilde verdienen, zei hij ineens tegen me:
"Laat me je handen eens zien!"
Ik stak mijn handen uit en hield ze naast de zijne. Meer viel niet te zeggen. Het was een bijna gênant gezicht om mijn blanke kantoorhanden te zien naast de zijne die vol met eelt en zwarte groeven zaten.
De Portugees zag mij als los arbeider niet erg zitten. Hij benadrukte nogmaals dat druiven plukken erg zwaar werk was.
"Maar als je echt wilt," zei hij, "dan hoef je alleen maar naar een wijnboer toe te stappen en om werk te vragen."

Met weinig hoop op succes ondernamen we de volgende dag een sollicitatiepoging. Trépail is misschien wel het kleinste wijndorp in het champagnegebied, maar het was zo te zien beslist geen arm dorp. De meeste huizen zagen er goed onderhouden uit en naast vrijwel elke voordeur hing een blinkend gepoetste koperen plaat, waarop stond dat de bewoner champagne maakte, champagne kocht, of champagne verkocht.
In de hoofdstraat liepen we langs een schuur met grote openslaande deuren. In de deuropening stond een vreemdsoortige tractor met hoge smalle wielen. Hij had iets weg van een spin. Achter in de schuur was een jongen van een jaar of zeventien bezig de vloer schoon te spuiten met een hogedrukspuit. Ik stapte langs de tractor naar binnen en vroeg in mijn beste Frans aan de jongen of hij wist waar we druiven konden plukken.
Tot mijn verbazing reageerde de jongen serieus. Hij veegde zijn handen af aan zijn overall en zei:
"Wacht hier maar even, dat zal ik aan mijn vader gaan vragen."
Een paar minuten later kwam hij terug met een grote stevige vent van net vijftig. Zijn vader was een indrukwekkende verschijning en na het gesprek met de Portugees voelde ik me niet meer zo competent. Het Frans wilde niet meer over mijn lippen komen en al hakkelend en stotterend herhaalde ik mijn vraag in een mengelmoes van alle talen die ik ooit heb geleerd. Toch schenen we geen gekke indruk te maken. Hij begon tenminste niet gelijk te lachen, maar nam ons mee naar zijn huis.
In de eiken woonkeuken werden we voorgesteld aan zijn vrouw, een potige tante met een vrolijk open gezicht en een paar leuke pretogen. Nadat we aan de grote tafel hadden plaatsgenomen schonk hij ons een glas champagne in. Dat opende perspectieven. Zo ben ik nog nooit ontvangen tijdens een sollicitatiegesprek.
Langzamerhand gingen we elkaar wat beter verstaan en kon ik wat meer vragen stellen. Ik begreep uit de woorden van de 'patron' dat er een ploeg van ongeveer twintig plukkers zou komen, die net als wij, allemaal mee zouden eten bij het gezin en daar ook bleven slapen. Hij had ook voor ons genoeg ruimte, maar het was geen bezwaar als wij in onze kampeerauto wilden overnachten.
Of we verder nog vragen hadden? Meer kon ik op dat moment niet bedenken en na nog een tweede glaasje champagne liepen we terug naar de auto. Onderweg bedacht ik me dat ik helemaal niet naar de verdiensten had gevraagd. Francina had er wel aan gedacht, maar wilde het niet vragen omdat ze dat ongepast vond. Waarom zou je niet over geld mogen praten, ook al zijn het aardige mensen? Nou ja, het belangrijkste was dat we waren aangenomen.

Een paar dagen later begon de pluk. Met de hele ploeg werden we 's morgens om half acht in een aanhangwagen achter de tractor naar de wijngaard gebracht. Ik dacht dat Trépail een stil en suffig dorpje was, maar deze ochtend kwam hele dorp tot leven. Op straat was het druk en overal om ons heen zag ik gele zwaailichten van tientallen andere tractoren, die zich al tussen de wijngaarden bevonden. In het vroege ochtendlicht leek het wel een fakkeloptocht.
In de wijngaard kregen we van de patron een klein, vlijmscherp snoeischaartje en hij liet ons zien dat je druiven niet plukt, maar de trossen bovenaan bij het steeltje afknipt.
Het was inderdaad zwaar werk. De druiventrossen bevonden zich tussen de dichte bladeren van de ongeveer één meter hoge wijnranken. Om ze te kunnen plukken liep ik de hele dag gebukt door de wijngaard. Na een kwartier ging mijn rug pijn doen, na een half uur mijn knieën en binnen een uur deed alles pijn.
Francina en ik waren de enige nieuwkomers in het gezelschap. Bijna wanhopig probeerden we de anderen bij te houden. Die hadden allemaal al eens eerder geplukt en in no-time lagen zij een heel eind op ons voor. Toch leken ook zij last van spierpijn krijgen en de patron, die zelf niet plukte, liep er een beetje de moed in te houden en riep steeds: "C'est dure, c'est dure" (het is zwaar).

Om twaalf uur werden we met de tractor teruggebracht naar het dorp voor het middageten. In de schuur waar vorige week nog de tractor stond was een soort bijkeuken gebouwd waar gekookt en gegeten werd. De patron zat met zijn familie aan het hoofd van de tafel.
We bevonden ons in een gemengd gezelschap, waarin we ons niet echt op ons gemak voelden. Aan tafel werd uitsluitend Frans gesproken. Ik kan me redelijk verstaanbaar maken in die taal, maar toen iedereen door elkaar zat te kwekken, werd het wel erg moeilijk om iets te begrijpen.
De maaltijd was uitgebreider dan ik verwachtte: vooraf schonk de patron als een echte gastheer voor iedereen een glas champagne in, waarna zijn vrouw soep, aardappelen, groenten en vlees op tafel zette. Midden op tafel stonden flessen rode wijn, bier en limonade, waarvan je zoveel mocht pakken als je lustte.
Zowel overdag als 's avonds was het eten zeer overvloedig, maar ook behoorlijk vet. De patron zei dan ook: "Goed eten is goed werken." En gelijk had-ie.

Om half twee werden we opnieuw naar de wijngaarden gereden. Zodra we bij een wijngaard aankwamen veranderde onze gastheer op slag in een eersteklas slavendrijver. We moesten behoorlijk aanpakken en even uitblazen was er niet bij.
In zijn borstzak droeg de patron een klein blauw boekje, waarin hij constant aantekeningen maakte. Bij alles wat ik verkeerd deed pakte hij dat boekje en zei met een lachend gezicht:
"Dat schrijf ik op, Rutger!"
Ik ging er maar vanuit dat hij een grapje maakte en het boekje gebruikte om de opbrengst van de diverse wijngaarden op te schrijven. In elk geval stonden de werktijden en koffiepauzes er niet in, want die vielen steeds op andere tijden.

De verschillende wijngaarden lagen niet allemaal bij elkaar. De wijnboeren uit Trépail hadden een soort coöperatie gevormd waarbij elke boer, naast zijn eigen gaarden, ook een deel van zowel de slechte als de goede wijngaarden had. In elke wijngaard knipten we steeds een paar rijen, daarna moesten we stoppen en werden dan naar een andere gaard gebracht.
"Dat is," vertelde de patron, "om de verschillende druiven te mengen. Champagne wordt gemaakt van een mix van witte en blauwe druiven van verschillende hellingen. Elke helling zorgt door zijn specifieke bodemgesteldheid, windval en zonne-uren voor een andere smaak."
Zodoende werden we steeds van de ene wijngaard naar de andere verhuisd en daar hoorde je mij geen bezwaar tegen maken. Heerlijk even uitrusten, op de wagen achter de tractor naar de andere kant van het dorp.
op-reis-11
Tegen het einde van de middag daalde het werktempo aanzienlijk. De meeste begonnen opmerkingen en grapjes te maken, tot de patron het te gezellig vond worden en "coupe!" riep (doorknippen!). Even werd dan weer in stilte gewerkt, maar na vijf uur hielp dat niet veel meer. Dan werden opvallend veel ruggen gestrekt en om de minuut hoorde ik iemand vragen: "Hoe laat is het nu?"
De patron wilde nooit zeggen wanneer we mochten stoppen, maar niemand haalde het in zijn hoofd om te zeggen: "Nu is het genoeg geweest voor vandaag. Ik stop ermee!"
Om de productiviteit op peil te houden riep de patron dan: "Tageulle, coupe!" wat vrij vertaalt betekende: "Bek dicht en doorknippen!" De strekking van die woorden had ik de eerste dag al begrepen, alleen de letterlijke vertaling snapte ik pas op de laatste dag. Ik verbaasde me erover hoe ik mijn normen kon verleggen. Hier accepteerde ik de autoritaire patron zonder meer, terwijl ik nog geen maand geleden in een soortgelijke situatie de arbeidsinspectie zou hebben ingeschakeld.
Het was grappig om te zien hoe onze slavendrijver van overdag direct weer veranderde in een goedige huisvader zodra hij het huis binnenstapte. Hij zou het bij zijn "kippetje" zoals hij zijn struise echtgenote liefkozend noemde, niet hoeven te proberen om de grote baas te spelen.

Om zes uur lagen we languit uitgeput in onze Gijs. Zowel Francina als ik waren doodop en voelden overal pijn. We waren eigenlijk te moe om ons te wassen en vroegen ons af waar we de energie vandaan moesten halen om tegen half acht weer present te moeten zijn voor het avondeten. We besloten een "klaaguurtje" in te stellen, waarin we onze wonden konden likken en even konden "uithuilen". Niets geeft zoveel voldoening als gedetailleerd en langdurig uit te wijden over alle opgedane lichamelijke ongemakken, de zwaarte van het werk, de autoritaire baas en ga zo maar door. Overdag hadden we geen tijd om te klagen! Het hielp, na een uurtje konden we het leven, al kreunend en strompelend weer aan.

Hoewel we 's morgens maar langzaam op gang kwamen ging na een paar dagen het knippen steeds beter. We wisten waar we aan toe waren en werden langzamerhand wat meer opgenomen door de groep. Onze spieren begonnen gewend te raken aan het zware werk.
Na een paar dagen werd een nieuw lid aan de knipploeg toegevoegd, die ik voor het gemak maar "opa" noemde. Hij was de schoonvader van onze patron en deed niets anders dan toezicht houden.
"Opa" was een klein mager mannetje van een jaar of 70, 75 en zonder gebit. Elke dag droeg hij hetzelfde blauwe ketelpak. Nors kijkend en voortdurend kleine sigaartjes rokend liep hij de godganse dag de rijen op en neer om te controleren of niemand een trosje had laten hangen. Telkens als hij wat gevonden had kwam hij zwijgend naar je toe, keek je indringend aan en gooide met een zorgzaam gebaar het trosje in je emmer.
"Opa" leek wel vleugeltjes te hebben. Soms stond hij helemaal aan het andere eind van de wijngaard, wat ik kon zien als ik af en toe overeind kwam om mijn emmer te legen. Twee tellen later stond hij ineens weer achter je om opnieuw op zo'n heel erg klein, haast onzichtbaar trosje te attenderen.

Na een paar dagen begon het te gieten en moesten we dikke regenpakken en laarzen aantrekken. Het knippen werd erg zwaar. Het water bleef aan de trossen hangen en de grond veranderde in een modderpoel. De modder bleef in dikke lagen op mijn emmer en laarzen kleven.
Ondanks de regen liep de patron te stralen. Toen Francina vroeg hoe dat kwam, vertelde hij de opbrengst van deze wijngaard al geruime tijd van te voren te hebben verkocht aan de coöperatie. Dat leverde goed geld op, want natte druiven zijn aanzienlijk zwaarder dan droge. Toen Francina daarop voorstelde voortaan elke dag de druiven nat te spuiten - haar vader was boer en deed dat vroeger voor hij de sla naar de veiling bracht - was de patron diep geschokt en legde uit dat zoiets echt niet kon, omdat er heel erg streng gecontroleerd werd op de kwaliteit van champagne:
"Kijk, als het regent kun je er niets aan doen, maar natspuiten, nee!"

Na tien dagen zwoegen zat het werk erop en tijdens het diner van die avond haalde de patron zijn blauwe boekje tevoorschijn. Ik had steeds gedacht dat hij daarmee een grapje maakte, maar op dat moment werd me duidelijk dat al die notities over stiekeme sigaretjes roken of lijntrekken ernstig bedoeld waren.
Hij berekende voor iedereen het loon door een gemiddelde te nemen van onze productiviteit, de dagprijs van de druiven en het aantal geoogste kilo's. Daarna haalde hij zijn geldbuidel - een plastic tupperware doosje - uit de kast en één voor één kregen we ons loon uitbetaald. Het bedrag viel me ontzettend mee. De patron telde meer dan vier duizend Franse francs (ongeveer 1575 gulden) voor ons uit. Met zoveel geld konden we een heleboel brandstof kopen voor onze Gijs.
De patron was blij dat we tevreden waren, haalde nog een paar flessen champagne tevoorschijn en vroeg of we volgend jaar asjeblieft terug wilden komen. Ik zei: "graag!" maar voelde tegelijkertijd al mijn spieren schreeuwen: "Nee!"

 

"Kissing the balconies"

In St.Cyprièn-Plage, aan de Franse Rivièra, vond ik een prachtig plekje voor de nacht bij het haventje. Langs de waterkant stonden een aantal andere kampeerauto's en ik parkeerde Gijs, onze kampeerauto, in de buurt van een oude Bedford autobus.
Langzamerhand werd ons duidelijk dat meer mensen, die net als wij langer op reis waren, vaak bij een jacht- of vissershaven verbleven.
Francina, mijn echtgenote en ik raakten aan de praat met de bewoners van de Bedford, Mike en Nancy. Mike was een stevige vent van midden dertig, met een volle kop met haar. Nancy leek een stuk jonger dan hij, maar dat kon komen omdat haar blonde haar geverfd was. Het viel me op, dat zij zich veel meer op hun gemak leken te voelen bij dit haventje dan wij. Mike liet bijvoorbeeld rustig 's nachts zijn schoenen buiten de auto staan.
Mike vertelde bijna nooit campings te nemen en niet bang was om ergens in het open terrein te staan.
"Wat kan er nou in hemelsnaam gebeuren?" vroeg hij zich af.
Nou, ik kon wel wat bedenken. Telkens als wij in een stadje of dorpje Gijs voor de nacht parkeerden zat ik steeds om me heen te kijken of ik geen "ongure" types naar Gijs zag loeren. Als ik een politieauto zag passeren, verwachtte ik gelijk dat ze me weg zouden sturen. 's Avonds en 's nachts werd dat gevoel nog sterker. Telkens als ik mensen in de buurt hoorde lopen maar ze door de gesloten gordijnen niet kon zien kreeg ik het benauwd.
Toch waren Mike en Nancy niet zo zeker van hun zaak als het leek. In Frankrijk voelden ze zich op hun gemak, maar Mike vertelde er tegenop te zien Spanje in te gaan. Hij was van verschillende kanten gewaarschuwd om op te passen voor dievenbendes en met name uit moest kijken in Barcelona.
"Een paar dagen geleden," vertelde hij, "Ontmoette ik een Zwitsers echtpaar, wiens Hymer in Barcelona volledig was leeggeroofd, terwijl ze toch aan een drukke boulevard geparkeerd stonden."
Dat soort verhalen van overvallen op kampeerauto's en over de Spaanse politie die altijd moeilijk schijnt te doen had ik al vaker gehoord en daardoor had ook ik niet veel zin meer om verder te trekken. Goed bedoelde raadgevingen om je auto nooit onbeheerd achter te laten waren natuurlijk zeer verstandig, alleen niet erg praktisch.

Een beetje opgefokt reed ik naar de Frans-Spaanse grens in de verwachting volledig uitgekleed te worden door de douane. We passeerden de grens echter probleemloos. De douanebeambten wuifden ons er letterlijk overheen. Dat was een hele opluchting en ondanks de bewolkte lucht reden we met een zonnig humeur naar onze eerste stopplaats, het vissersdorpje L'Escala aan de Costa Brava.
Vanuit een ooghoek ontdekte ik het VVV, waar ik informatie over de omgeving wilde halen. Ik draaide de eerste de beste zijstraat in om te keren en dàt had ik niet moeten doen!
Net toen ik Gijs in zijn achteruit wilde zetten zag ik vlak achter me een jongedame haar Mini parkeren en snel weglopen. Achteruit kon ik niet meer. Voor me een smalle straat waarin een paar mannen het trottoir aan het opbreken waren. Ik twijfelde eraan of ik wel door kon, maar er zat niets anders op en de mannen haalden keurig hun kruiwagens uit de weg. Aan het eind van de straat mocht ik niet linksaf, wel naar rechts. Het was een krappe bocht, ik moest zeker vier keer steken voor ik de hoek om was.
Ik schrok toen ik de vele overhangende balkonnetjes vol met grote bakken geraniums zag. Veel ruimte hield ik niet over. Langzaam reed ik verder. Overal hing was te drogen en ik vermoedde dat die door het contact met mijn dak niet veel schoner werd. Zelfs hoorde ik ondeugende jongetjes vanaf een balkon met hun vuistjes op mijn dak kloppen.
Na een paar honderd meter ging het mis. Langs de stoeprand stond een auto iets scheef geparkeerd; ik probeerde nog over de stoep te rijden, maar kwam met mijn dak tegen een balkonnetje tot stilstand. Barst!
Achter me was inmiddels een file Spanjaarden tot stilstand gekomen. Aan het geluid van hun claxons te horen begrepen ze niet dat ik echt niet verder kon. Na een poosje debatteren ging de file langzaam, auto voor auto, achteruit tot ik, met het zweet in mijn handen, bij een zijstraat kwam. Dat eindigde op een plein, maar bij alle andere straten die daar op uitkwamen hing een bord waarop stond dat het verboden inrijden was voor vrachtwagens hoger dan twee meter zestig.
En ik was drie meter twintig!
God zij dank kon ik op het pleintje wel keren en tegen het verkeer in terug te rijden. Ik zette mijn alarmlichten aan en ondanks boze en met lichten knipperende automobilisten die voor me de stoep op moesten, bereikte ik een parkeerplaatsje. Ik besloot Gijs te laten staan en te voet een weg door het stadje te zoeken. Inmiddels was de zon gaan schijnen, maar mijn zonnige humeur was ik kwijt. Dat bezoek aan het VVV is er niet meer van gekomen.
op-reis-13
Na een paar dagen begon de Costa Brava me tegen te staan. Ik vond de omgeving enorm verstedelijkt door zijn reusachtige hotels en appartementencomplexen. Het leek me beter de kustroute te verlaten en het binnenland in te trekken. In een paar tellen had ik een geheel nieuwe route uitgestippeld. Om Barcelona heen naar Zaragoza, vandaar naar Teruel, en dan naar Madrid.
Tot nu toe vertrokken we elke morgen zonder vast doel voor ogen en veranderden regelmatig van mening en van richting. Natuurlijk was ik niet verplicht me aan die nieuwe route te houden - want niets is leuker dan van een plan afwijken - maar nu hadden we een beetje een idee waar we aan toe waren.
Francina liet het bepalen van de route gemakkelijk aan mij over, al maakte zij zich zorgen dat we niet te grote afstanden zouden rijden en we zo nu en dan ergens wat langer bleven zodat ik aan mijn boek kon werken. Haar eerste zorg kon ik inkomen, de tweede niet zo. Nu ik gemerkt had hoe moeilijk het was om een verhaal op papier te krijgen voelde ik weinig inspiratie meer. Ik ging reizen om een boek te schrijven, maar voorlopig vond ik reizen leuker dan schrijven.

Vanaf Blanes werd de weg vlakker, breder en ineens zaten we op de drukke N-II naar Barcelona. Hoewel ik steeds gezegd had dat ik niet naar Barcelona wilde, bleek dat we toch dwars door de binnenstad moesten. Om de haverklap stonden we voor een rood verkeerslicht en met al die indianenverhalen in mijn achterhoofd zat ik constant angstig om me heen te kijken of niemand een overvalpoging waagde. Overal zag ik "enge" wandelaars en voortdurend reden jongelui op scooters om de auto heen en keken met begerige ogen naar binnen.
Bij elkaar duurde het ruim een uur voor we de stad door waren en natuurlijk gebeurde er niets. Alleen had ik pijn in mijn nek en schouders, van het krampachtig om me heen kijken. Plotseling realiseerde ik me echter dat juist door al die indianenverhalen mijn kijk op Barcelona beïnvloed werd. Zou het niet zo zijn dat als je diefstal verwacht, je dan bij voorbaat elke onschuldige wandelaar gaat verdenken? Tenslotte lijdt een mens het meest onder wat hij vreest, herinnerde ik me een van de dagelijkse spreuken uit mijn Succesagenda.
Ik bleef de N-II richting Lérida volgen en tegen het vallen van de avond passeerden we de berg Montserrat, die door de ondergaande zon wel licht leek te geven. Tegen de tijd dat we bij het drukke industriestadje Igualada kwamen was het inmiddels pikdonker. Francina stelde voor om hier te blijven. Ik was mijn ervaring in L'Escala echter nog niet vergeten en durfde niet het centrum in te rijden. Nadat ik er drie maal omheen gereden was, bleef geen andere mogelijkheid over dan gewoon ergens langs de kant van de weg parkeren.
Het was een drukke weg, waar veel vrachtwagens passeerden. Elke keer als zo'n reus voorbij raasde, stond Gijs vijf minuten te schudden. Dat beloofde geen "rustige" nacht te worden. Ik stelde nog voor om verder te rijden, maar dat gaf oorlog in de tent. Francina zou ook wel moe zijn.
Terwijl de vrachtauto's om ons heen denderden raakte ook Francina overtuigd dat het mogelijk moest zijn een beter plekje te vinden. Voor zover ik wist was in de buurt geen camping, dus gingen we lopend op zoek naar een andere plek. Op weg naar het centrum vroeg ik een passerend stelletje de weg. Ooit heb ik op school een paar jaar Spaans gehad, maar dat is ruim twintig jaar geleden. De jongen en het meisje begrepen uit mijn woorden dat ik politie zocht en hielden spontaan een juist op dat moment passerende auto van de Guardia Civil aan.
Opnieuw moest ik mijn "probleem" uitleggen aan de beide agenten en in rad Spaans kreeg ik een omstandig antwoord. Ik begreep daar niet veel van, maar maakte uit de woordenstroom op dat we achter in de politieauto mochten plaatsnemen. Onderweg begonnen de agenten gelijk een heel verhaal. Ik ving woorden op als "Johan Cruyff" en "Ronald Koeman" en dat schiep, ondanks dat ik weinig van voetbal wist, meteen een band.
De agenten brachten ons terug bij Gijs en begonnen meteen met hun hoofd te schudden.
"Muchas problemas," zei de een, "daar sta je verkeerd. Rij maar achter ons aan, dan brengen we je naar een parkeerterrein waar je wel kunt staan."
Met een noodgang reden ze voor me uit, dwars door nauwe straatjes die sterk leken op de steegjes waar ik een paar dagen geleden mezelf had klem gereden. De agenten wisten echter precies wat ze deden en brachten ons naar een geheel ommuurd parkeerterrein naast het politiebureau, waar ze ons een prachtige parkeerplek aanwezen. Omstandig begonnen ze uit te leggen dat vanavond om tien uur de poort op slot ging en pas morgenochtend om acht uur weer open. Dat was voor mij geen probleem; om tien uur hoopte ik allang op bed te liggen.
Inmiddels was het over negenen. Francina had geen zin meer om te koken en we liepen het centrum in om brood te kopen. We kwamen terecht in een drukke winkelstraat die gezellig aandeed door de vele jongelui die op terrasjes zaten en rond slenterden. Steeds ontdekten we nieuwe winkelstraten, waar zelfs op dit tijdstip alle winkels nog open waren. Op dat moment begreep ik waarom die agenten zoveel moeite deden om me aan het verstand te brengen dat om tien uur de poort dichtging. In hun Spaanse ogen was tien uur natuurlijk ontzettend vroeg; zij begonnen dan pas aan hun avond.

Na een paar dagen "gastvrijheid" bij het politiebureau reden we verder naar Zaragoza. 's Winters zijn in midden-Spanje vrijwel nergens campings open en tijdens de tocht, zoals we die hadden uitgestippeld zouden we dus onze eigen plekjes moeten zoeken.
Ik vond het landschap kaal en dor, pas toen we de Rio Ebro kruisten werd de omgeving ineens veel groener. Tegen een uur of twaalf reden we Zaragoza binnen maar door het drukke verkeer duurde het ruim een uur voor ik bij het centrum was. Door onze goede ervaringen met de 'Guardia Civil' in Igualada leek het me het beste ook hier de politie om raad te vragen. Op het grote plein achter de kathedraal van Maria-del-Pilar vroeg ik een motoragent of ik daar soms mocht parkeren.
"Dat kan niet," zei hij, "Daarvoor is het hier veel te druk.
Rij maar achter mij aan, dan wijs ik je wel een betere plek."
Hij klom op zijn motor en reed voor me uit naar een klein park aan de Rio Ebro met een grote parkeerplaats. Van hieruit hadden we een schitterend uitzicht over de kathedraal, een van de grootste die ik ooit had gezien. De minaretachtige torens en mozaïek daken herinnerden nog duidelijk aan de Moorse invloed op de bouwstijl.
"Blijf hier maar staan," zei de Guardia. We maakten een praatje en hij vroeg wat ik van Spanje vond. Ik vertelde van mijn angst voor roofovervallen en de vele waarschuwingen die we daarvoor hadden gehad, maar ook dat ik had gemerkt dat het niet zo erg was en we steeds vriendelijke en behulpzame mensen ontmoeten.
"Dat is wel zo," zei de Guardia, "Maar je moet toch oppassen!"